‘Een nijdig menneke’ (Jeroen Wielaert in
‘Pijn en glorie van de polder’/2002
Een ongewone koersdag, 23 april 1981
De prille lenteochtend is nat en grauw,
in Ninove waar de Vlaamse Ronde thuis is
met haar in het anders onooglijke Meerbeke
door een magistrale linde bekroonde eindmeet,
oogt eerder triest onder sombere wolken.
Maar op de grote nieuwe weg naar Aalst gommen
kleurrijke koerstruien alle winterse depressies uit,
renners staan aan de start te tateren voor
ze west- en zeewaarts naar Bredene trekken,
in hun rug trilt de zegeroes nog na die er
door Hennie Kuiper twee weken eerder
met veel panache werd bijeen geknokt.
Mirko op het stuur van Fons
Fons De Wolf staat als een jonge prins
te blinken in de witte trui waarin San Remo
nog oogverblindend natrilt: België ’s hoop
in de barre hongerjaren na Merckx neemt
mijn zoontje Mirko -een schuw ventje van vier-
op het kromstuur, een foto voor de eeuwigheid
in mijn heiligdom van vaderschap en koers.
Rondom het jongetje in lichtbruin winterjasje
de kleuren die van de wollen rennerstruien spatten:
Raleigh, Capri-Sonne, Daf-Trucks, Safir en
Boule d’ Or broederlijk verenigd in de kou en
een vestimentaire strijd die nu compleet is uitgestorven
want van deze sponsors valt in het hedendaags peloton
niets meer te bespeuren, wielergeschiedenis
met sponsors als Safir en Boule d’ Or die toen
gesteund door het zweet en labeur van renners
openlijk alcohol- en tabaksverslaving promootten.
Revue van kampioenen
Wat verderop staat Marc Demeyer te blinken
in zijn atletisch lichaam, een robuuste Adonis
met fiere Romeinse keizerskop en een koppel benen
die je vandaag bij Mathieu Van der Poel kan vinden.
De tragische Demeyer die een paar jaar later
uit het leven stapt of schrijf ik hier beter rijdt,
een pijnlijke nederlaag van het trillend rennersleven
in een hoofd dat de zwarte dagen niet meer aankan.
Vlakbij Marc kijkt de Hollandse klassieke hoop toe
vanachter de glazen van zijn ziekenfondsbrilletje:
de oersterke Zeeuw Jan Raas, eveneens begenadigd
met dijen om eerbiedig het hoofd voor te buigen.
Ik maan de kleine Mirko aan om naast grote Jan te gaan staan,
het jongetje krimpt in zijn al korte beentjes terwijl
de gewezen wereldkampioen hem met een monkellachje zegt
‘dat hij beter zijn moeder had meegebracht’.
Verder verloopt het poseren vlot, kort daarna wordt
de Ronde van België-rit op gang geschoten
door de keizerlijke koersdirecteur Rik Van Looy en
vallen jongetje en renner in hun normale plooi
van kind en kampioen zijn. Later die dag wint
Fons De Wolf in Bredene zonder Mirko op het stuur
de rit wat de eerder die dag in Ninove genomen foto
het apart cachet van een rake voorspelling geeft.
Miguel, gevangen tussen Parijs en Roubaix
Wat noch De Wolf noch Raas weten is dat Mirko
twee weken eerder zijn ouder broertje is verloren:
Miguel, mijn doodstrauma , in 1971 in Aalst geboren
op de dag dat Roger Rosiers won in Roubaix,
in 1981 amper een paar uur na de kasseitriomf
van zijn idool Bernard Hinault in Leuven gestorven.
Die 23ste april 1981 trilt het drama nog hevig na,
de wolken waren hoge lila voiles van verlies,
alsof de zon boven de aarde was verbannen en
simpel ademen pijn deed aan de longen.
Het kleine broertje op wieleruitstap dus met vader,
een korte vlucht naar de deugddoende roes der wielerliefde,
de vader die medelijden heeft met het jongetje
dat zijn leven lang een broer zal moeten missen.
Aan dat alles denk ik nu, na een pakkende filmmatinee
in het onvolprezen Geraardsbergen van De Muur
waar het wonder-treurige Hamnet wordt vertoond,
een film waarin de grote Shakespeare zijn zoon verliest.
Het pronkerig theater van het leven op zijn pijnlijkst,
met tranen gemengd, gevat in wat ongenadig voorbij is.
Een huis in ’s-Heerenhoek
Maar terug naar de klassieke kampioen Jan Raas,
de renner en man uit één stuk onwrikbaar porfier,
iemand die niet publiciteitsgeil te springen staat en
zijn triomfjaren herbeleeft in de discretie van zijn huis,
inclusief de pijnlijke val op de Cipressa,
zijn niet te lessen Amstel Gold Race-dorst,
de talrijke aanvaringen met tsaar Peter Post,
de deskundig neer gemepte supporter in de Tour,
zijn huldiging in het dorp waarvan nu nog schimmige beelden
van gastspreker Gerrie Knetemann overblijven.
Zijn huis in ’s-Heerenhoek, het eerder kleurloos plaatsje
met de imposante kerk en het stoere boerenpaard
in de schaduw van Corsele en zijn dreigende koeltorens.
Elke zomer houd ik er even halt met vrouw en kleinzonen
om er de reishonger te stillen en de benen te strekken
op weg naar een verblijf op Schouwen Duiveland en
het stadje waar Jacob Cats voor altijd dichter staat te zijn,
een brok in brons gegoten poëzie met meestal meeuwen
op het statig maar oneerbiedig bescheten hoofd.
De komende zomer zal ik op een julimiddag aankloppen
bij de zwijgzame wielerreus met dit gedicht in de hand,
dit gedicht vol glorierijk verleden en persoonlijke droefenis
waarin Jan geheel en al ongewild tot leven komt en
dat hem naar ik hoop wat meer respect bezorgen zal.
En mijn oprechte warmte gevat in deze woorden
uit het stukje België waar hij zo vaak lichtjes hautain
als sterke Jan met de zegebloemen stond te pronken.
Dit ‘nijdig menneke’ met brilklare kijk op de zo vaak
opgeklopte waanzin van de koers waarin alleen mannen
met karakter overleven, deze gelouterde Zeeuw op kop,
renner Raas dus, groots in zijn stilte.
uit ‘De Muur’ nr 92/maart 2026
