Plat d’Adet / Yehuda Amichai – Guillaume Martin

Als ik een haarscherpe foto
van de planeet Pluto zie
dan vrees ik dat ik kaal word

Als ik een renner zie afdalen
op de Col du Tourmalet
dan knijp ik beide ogen stevig dicht

Als ik een dichter was
drukte ik mijn verzen op een spandoek
om iemand de weg te wijzen
bijvoorbeeld die frêle Louis Meintjes
so'n verkleurmannetjie of 'n klipspringer

En als ik een Griekse filosoof was
dan maakte ik een praatje met Guillaume Martin
over massa, macht en weersverwachting
 
Als ik een renner was dan woekerde ik 
met mijn krachten zonder kans op winst

Ik ben als een sjouwer die een grote boekenkast
dichtbundels, eerste drukken, filosofische traktaten
op zijn rug naar de Pyreneeën moet dragen

terwijl de groenvink beter weet 
rust op de groene rug van Biniam Girmay

en zo'n Boeuf Gascon, krachtige musculatuur
robuuste hoeven, blind de weg oversteekt 

Mijn lichaam blijft een amateur.


Salles - d'Armagnac / Zbigniew Herbert – Laurenz Rex

‘Ze zeggen – 
dat de kunst een spiegel is
die over de weg wandelt’

Stel je voor zo’n sprintend peloton 
renners met een grote spiegel op de rug
In een zware vergulde lijst
ziet Laurenz Rex
hoe hij voorbij wordt gesneld
door zijn groene kopman 
Het is dan de kunst 
om in juichen uit te barsten
Get it on (bang a gong)
Sleep de hele jungle 
in je mandje van huisvlijt

Wandelen is voor oude krokodillen
terwijl dronken klokken luiden, alarmbellen afgaan
presidenten namen wisselen met hun vijanden.


Lot / Norbert De Beule – Nathan Van Hooydonck

Vandaag knippen we het geel uit zwart, geel, rood 
het zwart uit zwart en wit
We zwaaien niet met vlaggen
We liegen niet om goud
We zijn speels en onbezonnen
Een jongetje roept: ‘What the fun!’

We plakken het verleden bij wat vandaag gebeurt
Nathan Van Hooydonck maakt nog een paar toertjes met de fiets van Jonas Vingegaard
Een leeuwenhart maakt rare sprongen
Het gras is gaan liggen in het hooi
De leeuw slaapt bij het lam

Dit is een feestdag
Een zwarte Madonna rust op haar troon
bevrijdt Jonas Vingegaard van zijn ongeloof

Uit een gitaar rolt gele traan.



Bastide Monflanquin / Ted Hughes – Kévin Geniets

God probeerde Kraai te leren praten
‘Liefde,’ zei God. ‘Zeg Liefde.’
Kraai verkrampte

Van bij de start ontsnapt een renner 
uit de kleurenwaaier van het peloton 
Kévin Geniets in een kampioenstrui 
zonder enige vorm van reclame 
(vlammend rood, maagdelijk wit en hemels blauw)

Ergens aan de kant van de weg 
staat een jongen of een meisje
(schuldbewust het gezicht bedekt) 
met een kartonnen bord
‘Kévin épouse-moi’
Kévin Geniets duikt weer in de buik van het peloton

‘Liefde, zegt God. ‘Zeg Liefde’
Wat verderop staat een jonge vrouw 
ze toont een bord
‘COU COU MAMAN’

Kraai kiest voor de crash
Kévin Geniets ontsnapt aan kraaienval.


Col de Perte / Miroslav Holub – Fred Wright

'Daidalos Victorious knutselt in het labyrint
En overal die Icarussen, zwermen’

Meer dan 8 miljard Icarussen 
proberen te ontsnappen
In de luchthavens
(alle bagage wordt geweigerd)
In de overvolle winkelcentra 
(geen ontsnappen mogelijk uit de massa)
Uit de zandkastelen
Uit de steden
(alle kerktorens vallen om)
Uit het vulkanisch gebied 
(alle bergen spuwen vuur)

In de Ronde van Daidalos 
mist Alfred Brockwell Wright
mogelijks een erfgenaam van de Wright Flyer
(het eerste gemotoriseerde vliegtuig)
(12 seconden in de lucht)
bij het begin van de wedstrijd
de aansluiting met het peloton
Hij verliest minuten

Zijn vader slaat een glas om
‘It’s only pain‘ 
kalkt een gevallen Icarus op het wegdek
uit het team van Kras & Co.

Fred Wright eindigde als enige buiten tijd.


Le mirage d’Orval / Remco Campert – Jasper Philipsen

“Poëzie is een daad van ontkenning
Ik ontken dat ik leef, dat ik niet alleen leef”
Ik lees en wandel alleen, dat wel

Lees op de gevel van de kleine winkel
RTV   HOOP EN HERSTELLING
Miele
Siemens
Philipsen
Je moet blijven geloven
Een kruis slaan bij elk voorteken

Een jonge vader loopt achter een kinderwagen
om zijn conditie te verbeteren
na een nachtje uit
De baby slaapt tevreden
Ooit wint hij de sprint in een uitverkoren rit

Ik ontken dat ik schrijf
De werkelijkheid haalt mij soms in.


KRONIEK VAN DE TOUR 2024

in drie epische episodes

week 1

Barmhartige Bardet

Een mini-Giro om de Tour op te starten:
elk jaar kwijnt Frankrijk verder weg
in de steeds buitenlandser wordende topkoers
waarin monsieur Prudhomme zijn portefeuille
voor de meest biedende opengooit om daarna
als een zelfvoldane man van lichte zeden
in zijn bloedrode sponsorauto een groot uitgevallen
karikatuur van Napoleon staat of zit te zijn.
Firenze als startplaats: Leonardo da Vinci ziet
hoe zijn stad in een korset van carbonbuizen wordt geperst,
het mondaine Rimini begroet een paar uur later
Romain Bardet die met de hulp van Frank van den Broek
-de Hollandse versie van onze betreurde bimbo d’oro VDB-
de eerste gele trui om de frêle schouders krijgt,
de ultieme bekroning voor deze Barmhartige Samaritaan
in een peloton dat doorgaans weinig of geen genade kent.

Cia caro Pirata !

In Cesenatico wordt Marco Pantani elke morgen
wakker gekust door diepblauwe Adriatische zeegolven,
de gestolde piraat weent zijn versteend drama los
in duizend onbegrepen tranen waar de Tour nu
eerbiedig het anders zo hautaine hoofd voor buigt.
In de sacrale stilte van haar gekwetste huis prevelt
mama Pantani haar dagelijkse klaagzang
over de gevallen engelzoon van wie zij de onschuld
hardnekkig blijft verdedigen, haar Pavese leeft.
Tussen zoveel moederverdriet is geen speld te krijgen,
ook niet door Kevin Vauquelin die in Bologna
zijn jour de gloire met een spaghetti bolognaise bekroont.

Eritrea kleurt Torino

Op weg naar Torino sterft Fausto Coppi in Tortone
zijn zoveelste gitzwarte malariadood,
de ultieme campionissimo knikt goedkeurend
wanneer het verre Eritrea door Binam Girmay
naar een nooit eerder geziene hoogte wordt gepusht,
een Parnassus waar alleen blanke goden thuis waren.
In mijn kinderjaren ’50 zag ik elk jaar één keer                                                                                   -1-
een zwarte man in hagelwitte kiel die op de Pasenkermis 
in een papieren puntzak anijsbollen verkocht,
Binam is nu de exquise snoep voor mijn smaakpapillen,
ik savoureer deze exotische en sierlijke atleet
die er niet meteen als een rasecht spurter uitziet
maar wel over de gratie van een snelle bolide beschikt,
de verrassende magie van een flitsende zwarte Ferrari.

Bergaf Gigant Galibier

Het granieten monument genaamd Galibier levert
een snelst dalende gele Sloveen op met Valloire
als potentiële zelfmoordaankomst.
Zonder dat er doden te betreuren waren.
Ik snelde er ook een paar keer naar beneden
maar steeds met de verkrampte vingers aan de remmen,
ooit zag ik de Tourmalet afdalend het cijfer 70 
op mijn computertje verschijnen,
de schrik sloeg me om het hart bij zoveel dwaasheid
op twee flinterdunne reepjes rubber.
Remco remde, ik kon hem daar in volgen,
thuis wachtte zijn familie, inclusief Penelope.

Recordman Panter Cav

Cavendish die terecht wordt neergezet
als de Manx Missile heeft in Saint Vulbas
de mij onbekende heilige aan zijn kant
wanneer hij als een veelkleurige panter pijlsnel
van gat naar gat springt en welhaast
met de vingers in de snuivende neus
het stoomstormspurtend peloton het nakijken geeft.
Ik zag ooit in de Tour de Suisse van 2010
Cav voor mijn ogen in een horrorsprintcrash 
tegen het asfalt gaan: ik hield er mijn hart vast.
Dat nu enthousiast en onstuimig voor hem klopt.
Bieke Purnelle columnt in de krant
dat dit soort exploten van het wielrennen
de allerbeste sport in de wereld maakt.
Please, Bieke, voeg er nog de allermooiste aan toe.

Geen remmen op Remco

De dag nadat Groenewegen zijn gelouterde ziel
tussen opvallend gerespecteerde dranghekkens 
in Dijon-le-Moutarde triomferend over de eindmeet gooide
brak de gloriedag van Remco Chrono aan:
de Schepdaalse bolide duwde 25km lang                                                                                                    -
al zijn power uit de magistrale dijen.
Deze tijdrijder pur sang, Belg met de grootste motor en
heerser in het ultieme nummer van de wielerwaarheid,
een streling voor het koers minnend oog dat zich
niet laat verleiden door wat geel gescharrel in de marge
van het dagelijkse Tourverhaal. Als nog iemand twijfelt
over wat Remco in zijn mars heeft
bindt hij nu best in of maakt zich anders cito presto
aan meer dan 50km per uur uit de lome voeten.

Le Grand Fusil knalt niet langer meer

Terwijl Evenepoel zijn sterkste wapen bovenhaalde
viel in de buurt van Clermont-Ferrand het grote hart
van een al even grote oude Tourcoryfee stil:
Raphael Geminiani, bijgenaamd Le Grand Fusil
om een reden waarmee je vooral erotische kanten uit kan
ontsnapte ooit aan de zeis van de malaria-dood
die Fausto Coppi toen fataal is geworden.
Gem haalde net geen honderd lentes.
Zijn fiere karakterkop met brillantine in het haar,
het mooie palmares met veel hoogtes in de Tour,
zijn eerlijke en open kijk op het dopingspook:
ik koester deze seigneur van het Franse wielrennen en
treur nu extra omdat ik hem vorig jaar bezoeken wou
in een rusthuis in Pérignat-sur-Allier.
‘Je vous attend, monsieur le poète’ zei hij aan de telefoon
maar de dag voor de afspraak haakte hij af,
zijn ‘Je dois aller à l’ hôpital’ kon me niet gans overtuigen,
zijn zoon schreef me wat later verontschuldigend
 ‘que son papa n’ aimait plus la publicité’.
Aartsengel Raphael ontfermt zich nu over het grote hart
terwijl Yvette Horner voor hem de musette speelt.

Biniam boven

Groene Girmay haalt snel zijn tweede gram:
de donkere superatleet met de hagelwitte tanden en
een glimlach die elk kil hart doet smelten
laat Charles de Gaulle jubelen in zijn statig graf
dat in Colombey-les-deux-églises waakt over
de resten van de dapperste aller 20eeuwse Galliërs.
De generaal die twee wereldoorlogen strijd leverde
tegen het moordend Teutoons geweld bekroont
de Eritrese held met het Légion d’ Honneur waarmee
meteen ook gans sportend zwart Afrika wordt gefêteerd.
Girmay die zich in een onberispelijke stijl net als                                                                                      -
Abdel Kader Zaaf een glaasje wijn mag permitteren.
Maar daarna niet uitgeteld en uitgezakt tegen een boom
zal moeten boeten voor een overdaad aan alcohol. 

Gravel of moet er nog stof zijn

Een mini Strade Bianche op weg naar Troyes
waar de champagne royaal wordt ontkurkt
voor de moedige renners die door het witte stof
zwart voor de ogen zien en hoestend het einde halen,
opgejaagd door de pantsers van Erwin Rommel
in een woestijnoorlog van kamwielen en derailleurs.
Jonas, Wout en Primoz, de grote ongeluksrenners 
van het voorjaar verdienen alle stoflof
omdat hun getergde longen dit hebben overleefd,
de pijngrens van renners is hors concours,
dit zijn geen luxepaarden die achter een balletje aanhollen,
kijk naar hun getormenteerde koppen, de gelikte wonden.
Jasper Stuyven bijt zijn sterke tanden stuk,
o onmacht bij deze oneerlijke overdaad aan net niet,
voor Anthony Turgis knallen de champagnekurken
als keurig afgestofte muziek in de oren.



Trois Roys / Paul Snoek – Tadej Pogacar

Van mijn eerste tot mijn laatste lichaam 
laat in mij toch alle winnaars los
Eerst de jonge danser op de zandweg 
dartel als de dagpauwoog of kleine vos

Later de jager met het bloed van jonge wolven 
die aast op tijd en malse buit
Altijd de stralende, helmboswuivende 
op kale berg of witte wegen 

Laatst de renner die het geel zal dragen 
van grote rollen zon de brede grijns
en al mijn lichamen zal vragen 
Winnaar, laat mij al de winnaars zijn

of soms ook even niet.


Colombey-Les-Neuf-Eglises / Jack Spicer – Alex Zingle

“God moet een groot oog 
hebben om alles te zien
wat we hebben verloren of zijn vergeten”
in alle kerken, beklimmingen en afdalingen tegelijk

Jonas Abrahamsen draagt op zijn witte pak
wel honderd rode ogen
zij zien de droom van een jonge Noorse renner
Alex Zingle springt over een dood lichaam 
dat achteraf niet dood blijkt te zijn
Wielrenners verliezen zichzelf 
soms in andere wielrenners
Een sprint is een soort van doodsstrijd 
waarin je altijd hoopt te kunnen herrijzen
Als je opspringt uit de doden
danst de aarde
met alles wat leeft
de kroegtijger en het zevenblad
de kale jonker en de tjiftjaf 
In het marmer van de kerken 
tekent zich een nieuw patroon
Alex Zingle ontsnapt uit duizendknoop
In Oostenrijk valt alsnog het vonnis

Ik weet niet meer wat ik heb verloren
dat ik ooit opnieuw verliezen zal
Ik denk het oog van god
en de vierde knoop in derde knoopsgat.


Nuits- Saint- Georges / Charles Bukowski – Waterdrager

“Bezorgd dat de mensen je niet langer 
voor gevaarlijk houden
bij dronkenschap”
Bezorgd dat ik buiten tijd aankom 
een oude knol tussen de wijngaarden

Stond ik maar dronken aan de start
als Pavel Smirnoff
of Dylan Delirium
tegenwijzers in de kop

Het is tijd voor droesem in de fles
Tijd voor natte handdoek in de ring
Trappen op een zure adem
in een voorgoed verloren tijd
Het is tijd om te ontsnappen uit Bidonville
Als Jack Daniel misschien
of Johnnie Walker
wandelstok tussen de wielen

Bezorgd dat ik na mijn laatste wedstrijd
masker af 
en billen bloot 
gedoopt
in oude Port
“ zal moeten luisteren 
naar de ene poëzievoordracht
na de andere
na de andere …”

dan nog liever waterdrager
in een peloton van geheelonthouders.


Dijon / Charles Simic – Arnaud De Lie

“Wanneer ik rundsvlees eet, is dat een ceremonie
dan eet ik mijn voorvaderen
dan eet ik het land dat zij bewerkten"
met een lik mosterd van Dijon

Ik ben de stier van Lescheret 
Ik ben het liefst onder de koeien 
maar hou wel van mijn zwarte sokken 
en bruingebrande armen 

Tijdens een sprint laat ik mijn helden 
herleven in mijn bloed 
gedoopt met mosterdzaad, mierikswortel, lavendel

Ik hou van rood, geel, zwart
Zie mijn toekomst als de koeien 
groen en mals als gras

maar vandaag wint rood, wit, blauw



35!

Alle sprinters zij mij lief,
ik hou van hun kracht, hun
snelheid en hun lef

maar het mooist vind ik
de branie & de tranen
van the Cav


Miel Vanstreels



Côte du Cheval Blanc / Radna Fabias – Biniam Girmay Hailu

Biniam Girmay is een toffe peer
Ik ben een vrouw
Biniam Girmay is beest en geest in één gebed
smeekbede met felle sprintersbenen
Ik ben een vrouw en in mijzelf genoeg
Biniam Girmay had ooit een droom
Ik ben een wielrenner in een verblindend wit land dat smelt 
en alles gaat verschuiven wat ooit was
Ook een wielrenner heeft gevoelens
denkt na 
barst soms in tranen uit
weet wat hij mist
en vecht
een wielrenner is geen kamikaze geen voetangel geen morgenster geen slinger geen ongeleid projectiel geen buskruit geen brandmerk op een zwarte hengst een vader met een kind 
weet waarom hij pijn heeft
Biniam Girmay kan een zwart continent doen dansen 
op de pedalen
knalt door elke landgrens, boomgrens, droomgrens
zet alles op zijn kop 
en tolt
Een dansend peloton in volle sprint is een bruidsstoet met ongenode gasten

een wielrenner is geen strafregel
een wielrenner is geen strafregel
een wielrenner is geen strafregel

ik laat nooit meer een champagnekurk in oogbal knallen.


Galibier / Ilya Kaminsky – Jonas Abrahamsen

Ooit was er een tijd waarin renners niet praatten 
maar sigaren rookten
“we kunnen elkaar niet bereiken
met woorden alleen”

Ook nu klimmen renners in de Repbliek der doven
troosteloos, asgrauw 
terwijl aasgieren en iguanodons steeds luider schreeuwen

“Het kost maar een paar minuten 
om een mens te worden”
maar het lichaam van de klimmer krijg ik nooit
verzucht Jonas Abrahamsen 
terwijl hij op een derderangs klim 
aanvalt en het publiek ment
als een applausmeester

De wereld wordt geregisseerd
door aftelklokken, weegschalen, smartphones

En het woord is steen geworden en dranghekken
En alle woorden rollen van de berg
Er zijn steeds meer rooksignalen
“Heer geef ons wat U al hebt gegeven:
 een groene trui, een bollentrui, Uw strijdlust”

Alles wat in rook opgaat, wordt een droom
die nog even werkelijk blijft.


Smetje van Lichtervelde

Gilbert Desmet (1931-2024)

Er is geen beeld zo zwart-wit dat je het niet
inkleuren kunt. Van onze coureur bijvoorbeeld,
die ooit in het verre Vrankriek over Tourmalet
en Peyresourde reed, van onze held die ginder,
au maillot jaune, tegen Anquetil, Poulidor,
Bahamontes en al de Groten der Aarde streed.
 
En dat terwijl hier het gezichtsveld van
de zomer zich nog beperkte tot dorpel en dorp,
de radiostem van Maurice Dieudonné vanuit
open fabriekspoorten en cafédeuren waaide,
de televisiebeelden schaars waren en ik op
een driewieler rond de keukentafel draaide.
 
Er is geen beeld zo zwart-wit dat je het niet
inkleuren kunt. We doen het hier, meer dan
een halve eeuw later, nog vaak en met velen.
Als we Smetje, als kwieke senior, nog altijd
even gedreven en passioneel, voorbij zien
fietsen. In al onze ogen voor altijd in het geel.
 






Turijn Primo / Levi – Primoz Roglic

“Se questo è un uomo?”
Van een baby die heel vaak ziek was
groeide Primo Levi uit tot overlever van de Holocaust
Zijn daden bij het verzet begonnen voorzichtig 
met het aanbrengen van de slogan
VIVE LA PACE op de bankbiljetten

Primoz carrière als wielrenner 
begon na een zware val als schansspringer 
een recordsprong in een mogelijke dood

Primoz krijgt een team met rode vleugels
 (Hindley, Vlasov, Denz)
om hem te behoeden voor een val 
hij tekent een kruis op elke arm

Zalig zij die vrede brengen
Zalig de eenhoorn en de moede hinde
De gekneusde mens die bidt om skioord.


Bologna / Pier Paolo Pasolini – Frank van den Broek

Arm groen vogeltje, vanuit de boom laat jij de hemel zingen
Maar hoe pijnlijk jou te horen fluiten als een kleine jongen 
die de kruisbanden scheurt van zijn knie 

dit is een rit in de vorm van 666 bogen
dit is een rit in de vorm van een slang
die kronkelt omheen zijn eigen schreeuwlelijk gelijk

“ Ik kom van de ruïnes, uit de kerken,
de altaarstukken, uit de dorpen
achtergelaten op de Apennijnen of de Vooralpen”

waar alles draaide om het leven na de dood
onder een hemel van wapenschilden.

Ik ben de nachtegaal van de gevallen torens
Hoe pijnlijk jou te horen fluiten 
in het ziekenhuis met een gescheurde milt

“Het is gewoon een wielerwedstrijd,” zegt een jongen
“Het is gewoon afzien op de fiets”
Hij kijkt omhoog naar de strepen in het licht 
en plant een nieuwe strijd.


Côte de San Marino / Marino Moretti – Romain Bardet

In San Marino leefde ooit een dichter 
die werkelijk niets te zeggen had
In zijn gedichten overheersten 
de verveling en het grijs

en de zwakte van de mens
in zijn verzet tegen de bergen en de tijd

tussen bonsais en ingevallen burchten
trappen renners harder dan hun schaduwen
om te ontsnappen uit de dwergstaat – 
Mark Cavendish zit heel scheef op zijn fiets
raakt steeds verder weg van zijn verleden

Het is goed een dwerg te zijn 
met hele kleine schrammen
de verweerde kop als postzegel
op een brief van Florence naar Rimini

of Il Postino met de glimlach van Romain Bardet
“ Hij kent alle steden
waar de dichter met het onwetend hart
nooit van dromen zal.”


Fietsen

      Voor Paul Rigolle

Als ik fiets overmant me
een vreemd soort geluk.

Elke omwenteling:
een omhelzing van de tijd,
van wat er ooit is geweest
en van wat er ooit zal zijn.

En soms is er enkel nog het nu:
een blij en eeuwig vergeten,
een ode aan de vergetelheid.

Ik hou van lange, rechte wegen
de blik helder en gefixeerd,
wonderlijke vorm van meditatie.

Als ik fiets ben ik niet langer
een kleine ik, maar alles en iedereen.

Elke trap een ode
aan het lichaam, de liefde,
de beweging en alles om ons heen.

Fietsen is pure mystiek.


Monumentenpoëzie

Als een jongentje
van acht - zo kijk ik nog steeds
het liefst naar de koers

klik op afbeelding voor vergroting



















Koersen doe je niet
voor vandaag of morgen,
koersen doe je
voor de eeuwigheid
Aldus de wielertoerist
die al zestig jaar
geen deuk 
in een pakje boter 
rijdt


klik op afbeelding voor vergroting


















Ik voel elke val

Met een harde smak val ik in een betonnen greppel
of met een te groot verzet 
aan een te grote snelheid 
mis ik een bocht
en wie rijdt daar toch tegen mijn zoevend achterwiel.  

Ik glijd over het wegdek naar het zachte gras op de berm. 
Mijn rennersbroek is erg gescheurd en ik ben al 
door het vloeiende bloed besmeurd.   
Een groot renner worden en dan vallen, godverdomme. 
Ach, eindelijk is de ambulance daar en ik denk: wat een stiel.  





 

Dertien vragen voor elke wielerkampioen(e)

1. Heb je wel goede benen?
2. Eet je genoeg en op tijd?
3. Rijd je niet te veel achteraan?
4. Heb je een goede ploeg? 
5. Heb je een heldere kijk op het koersgebeuren? 
6. Neem je niet te veel risico's? 
7. Val je niet te vaak op het harde wegdek? 
8. Rijd je nog graag op een racefiets?
9. Storen die oortjes in je oren? 
10. Verdraag je wel een extreme hitte?
11. Verdraag je de koude (regen, sneeuw en hagelstenen)?
12. Doe je in je vrije tijd nog andere sporten zoals snelwandelen, schaken
      en schansspringen?  
13. Ken je wel genoeg Engels voor het geval dat je een koers zou winnen? 

Op al deze vragen moet een kampioen niet antwoorden, want een groot
kampioen moet niets en is een zwijgende winnaar. 







Bloemen worden slechts gegeven aan de meet

(Amstel Gold race voor dames) 

Lorena Wiebes dacht dat zij gewonnen had, 
stak haar arm in de Limburgse lucht 
en was na de aankomst boos op zichzelf 
en weende bittere tranen 
want Marianne Vos jumpte in extremis als eerste over de meet.

Ook ik was al twee keer tweede in mijn lang leven 
en voel dus mee met die nu wat wiebelende Wiebes. 
Maar het lot is een arbiter elegantiae 
en ik beweer : het is beter om te vroeg 
te juichen dan te laat te moeten treuren.    
       




SANTA ELISA LONGO BORGHINI

De Brabantse Pijl, gekneld tussen Roubaix en Amstel,
een koers dwars door het heuvelland van Breughel
waar rijstpap en geuze dagelijks culinair aan de slag gaan:
de markt van Sint Kwintens Lennik ademt koers
in meer dan honderd jonge vrouwen in een outfit
waaruit de beroemde schilder gretig kleur kan pikken,
de ochtend is lentezacht en zonnig, ik kijk naar
de rensters die op het startschot staan te wachten.

Op de eerste rij een koekjes knabbelende Vollering
-bij deze dame valt geen fringale te verwachten-,
naast haar een in zichzelf gekeerde Elisa gehuld
in de tricolore Italiaanse kampioenentrui,
haar blik gefixeerd op het stille voorwiel,
met de regelmaat van een klok slaat ze kruistekens,
op de achtergrond kijkt de spitse kerktoren toe.

Waar denkt Elisa aan, aan haar dorp Ornasso
waar het water van het nabije Lago Maggiore
met een staalblauwe hemel duelleert ?
Of aan mama Guidina en papa Fernando, de steile klim
naar het Santuario della Madonna del Boden ?

Een paar uur later doen de kruistekens hun werk:
Santa Elisa triomfeert solo in Overijse, allelujah.
O zoete smaak van religieus geïnspireerde druiven.



Kasseien

Ik ben twaalf
met vrienden van de handbalploeg
rijd ik op weg naar 
een zaal voor onze match van de dag
over de Wilhelminakade.
Ik moet er alles voor doen
om op die harde, gladde keien
overeind te blijven
en ik ben doodsbang 
voor de tramrails vlakbij,
bang dat ik daartussen kom
met mijn wiel.
Ik moet nog spelen straks,
maar dit is al een zware wedstrijd.
Mijn lijf schudt en bonkt
als ik door de Veldstraat in Gent stuur,
weer minutieus mijn stuur
sturend over de gladde, glimmende kasseien,
achter mij giert die tram,
naast mij lonkt de blinkende rails.
Ik voel mijn billen, mijn rug,
mijn armen.
Ik voel mijn hart kloppen 
in mijn keel.
Ik kom van het Stadskantoor,
waar ik mijn belastingsplaatje
voor mijn Gentse fiets moest kopen.
Ik rijd over de kasseien van het Rabot,
angstig, moe, boos dat deze lijdensweg moet,
voor dat stomme plaatje voor het
nieuwe kalenderjaar.
Maar als ik het nog volhoud
tot de Hoogstraat,
bel ik daar bij de Hotsy Totsy Club,
om te vragen of Guido Claus
met me wil praten.
Over zijn broer, over Boon,
over de Letteren.
Even een pauze, een interval
op deze martelgang,
deze helse tocht
in een deel van Gent dat ik niet goed ken.
Ik stap af, beurs gedreund, stramme benen.
Ik bel aan, nog eens,
een brede, stevige man
doet open.
Ik stotter wat.
Nee, nu kan hij niet,
later misschien,
ik moet maar bellen.
Ik kruip weer op de fiets,
schudt en zwalk verder.
De pijn verbijtend.





KEMMEL, DE KILLER

 of de fatale val van reus Redant

De realiteit kan hard en meedogenloos zijn,
ook in de koers, renners zijn vaak sandwichman 
voor een spektakel op leven en dood,
toeschouwers gapen wielerdrama’s aan of treuren en
leven snikkend mee wanneer het noodlot toeslaat,
ik sla hier deemoedig een mea culpa
voor mijn gedicht ‘Renners sterven niet’
dat alleen maar klopt bij de gratie van de romantiek
die de dwangarbeiders van de weg generaties lang
in de hoofden van supporters doen overleven,
ook al vielen hart en wielen stil.
Anders wel een knap gedicht.

Alle terreinen zijn macaber goed om een renner
tot in Ispahaan door de dood te laten achtervolgen:
de brute genadeslag komt zelden bergop,
klimmend tussen grauwe muren van graniet
of het dood-wit gruis van de Ventoux
waar Tom Simpson zijn kleinste versnelling
niet meer rond kreeg en stamelend uitdoofde
als een kaars waarvan het laatste vet was opgebrand.
Afdalingen zijn veel ongenadiger en roepen
renners in bochten en ravijnen tot de orde,
Casartelli blijft met zijn fatale val 
op de helse flanken van de Portet d’ Aspet
op mijn netvlies gebrand in een orgie
van gulpend bloed, de gekloven schedel 
op de katafalk van gitzwart asfalt,
een mooie jonge renner onder de guillotine
van de fatale val, met Museeuw als dichtste getuige.
Op het vlakke doemt Jempi Monseré steeds weer op,
de jonge wereldkampioen met James Dean-look
die zich in een ordinaire Vlaamse kermiskoers
op een kille en mistroostige late winterdag
tegen een al even ordinaire Mercedes te pletter rijdt,
een regenbooggekleurde Christus met gespreide armen
aan het betonnen kruis genageld, een macaber beeld 
dat de camera’s induikt voor de kranten een dag later.
En op de piste verstoort en doorboort Stan Ockers
met een val op het winters Antwerps houten ovaal
mijn verre kindertijd, veel jaren later miste ik
een laatste Gentse zesdaagse-avond omdat Isaac Galvez
er zich een dag eerder in de hitte van de pistestrijd 
op de balustrade had te pletter gereden,
de Spaanse long aan de ribben gespietst, 
een renner-toreador op de hoorns van de stier,
het sneeuwwitte Lam Gods in zwart lycra gehuld.
In het veldritveld viel dan weer het hart stil
van Geert De Vlaeminck - zoon van wintergod Eric-
die in de modder en langs prikkeldraad op zoek was 
naar zijn vaders’ roem. Die voor hem onbereikbaar bleef.
O noodlot dat twee wielen en een hart stil legt,
o klassiek fatum der Romeinen in het amfitheater
van de koers die omgevormd wordt tot brood en spelen
met als finish de neerwaarts wijzende duim van de keizer.

Maar naast de hard dichtgeklapte deur van de dood
stapelen de verwondingen zich op, de verminkingen ook
die de gevallen atleet soms levenslang beboeten met
een verlamming -zie het trieste fenomeen Roger Rivière-
of een arm die voor altijd krom en slap blijft zitten 
aan het door een val getormenteerde lichaam.
De Parijse Dôme des Invalides is te klein om
alle zwaar gekwetste renners op te vangen,
ook mijn vriend Hendrik Redant verdient er een plaats
met zijn ellenboog die hij aan flarden viel
in de gevreesde afdaling van de Kemmelberg tijdens
de intussen ter ziele gegane 3-Daagse van De Panne,
we schrijven 2 april van het niet gezegend jaar 1997.

Redant, jarenlang mijn buurman en good old friend
met steeds de jeugdige glimlach om de lippen,
een man om een huis op te bouwen of samen
het Brugse bier Straffe Hendrik mee te drinken,
rots in de branding van kasseikoersen,
een reus met uit Vlaamse klei gevormde kop.
Na een dolle rit vanuit Parijs stak hij in Tours
de armen als een opstijgende albatros in de lucht,
ter compensatie van een gemist identiek gebaar 
op het betonnen ovaal van Roubaix:
de eeuwige roem en kassei waren hem niet gegund
nadat hij er in de finale solo naar op weg was maar
door een stomme lekke band werd genekt.
Zijn dies irae 2 april 1997 begon anders wel rustig,
hij voelde zich bij Farm Frites als een patat in zijn schil en
zou die dag tussen Zottegem en Koksijde proberen
om Peter Van Petegem aan de zege te helpen,
in een rit met twee beklimmingen van de Kemmel.
Hendrik zag die koppige puist in het landschap wel zitten,
de conditie was prima met dat jaar al een zege in Wanzele en
een ereplaats in de Omloop, toen nog Het Volk.
De gekasseide helling trilde onder de supporters en
in het Ossuaire Français keerden de poilus zich
in duizendvoud met hun pover resterend gebeente
in het voor altijd doodstille massagraf,
op deze plek grijpt de oorlogsgruwel je naar de keel,
de kruitdampen zijn er tot lentenevels vergaan,
met de regelmaat van een ouderwets tikkende  klok 
worden er nog niet ontplofte granaten opgegraven,
meer zelfs: heel af en toe gaat er nog een boer
die ploegend op zo ’n exemplaar stoot de lucht in,
de locals leven er op het ritme der geschiedenis,
de oude strijd krijgt er nog vaak een nieuw kleed.
Maar terug nu naar Hendrik en zijn private oorlog
die dag op deze bloedbult van het krijgsgebeuren
dat in de streek met Chinese inkt wordt omcirkeld:
hij zit bij de eerste Kemmel-passage midden in het pak,
de kasseien grinniken met hun harde stenen kaken
wanneer ze boven hen de renners zien lijden
als bontgekleurde Christussen van de koers.
Plots een uit de houder springende drinkbus,
isotone drank die ontsnapt en het wegdek spekglad maakt,
renners beginnen te schuiven over de natte vlekken
met een massale val waarvan Hendrik hoofdacteur wordt
tot gevolg, tot vandaag weet hij niet wie voor hem viel
-het zou Magnus Bäckstedt kunnen zijn-,
alle rode lichten floepen aan, een slagveld ontplooit zich
met de snelheid van een bliksemschicht,
de grond beeft bij zoveel neerstuikend vlees en bot,
Hendrik ligt op het grint naast de kasseien,
ziet vanonder zijn scheefgezakte worstenhelm 
hoe een been uit zijn rechter ellenboog steekt,
naast hem een snel groeiend plasje bloed,
in hoofd en ogen de ultieme verdwazing,
het schokkend lijf dat verder alle dienst weigert,
fotograaf Piet Van Belle springt van de motor en
legt met een klassieke snelle klik het drama vast,
een mini-wereldoorlog wordt Hendriks’ bijtend deel,
hij die cols, koude, wind en regen klein kreeg
wordt op de door legers kapot geschoten helling naar
de versplinterde finish van zijn carrière gekatapulteerd,
in een flits ziet hij twintig jaar koersen aan zijn oog passeren,
een flou geprinte polaroid waarop warm bloed druppelt.
Ambulance, hospitaal, ijverige dokters en verplegers,
het kundig ineen knutselen van een versplinterde ellenboog
die niet meer helemaal recht te krijgen is,
weg de gestrekte armen van de overwinning,
daarna snel de gevallen fiets gedwongen aan de haak.

Postscriptum

Het gekwetste dier -sorry, Hendrik, maar deze omschrijving
is hier, gezien slachtpartij en slagveld, wel op zijn plaats-
blijft eenzaam achter, de trage hersteldagen aftellend
in zijn huis in Denderwindeke, gelegen op het parcours 
van de Vlaamse Ronde. Die aan hem voorbijgaat.
De trainingsmaten komen medelijdend langs, 
hun kleurrijke outfits pijnigen zijn ogen,
voor hem geen blits koersplunje meer, geen helm,
geen drinkbussen, weg racefiets en massageolie.
Tot op een dag de deurbel en de bezoekende jonge Merckx.
Samen met een kale compagnon, the Boss himself,
nog herstellend van operatie en giftige chemokuur.
‘Lance vond het erg genoeg om mij met een bezoek
te vereren’ mailt Hendrik me, begrip- en respectvol naar
de voor eeuwig gedoemde zondaar Armstrong toe,
de keiharde en niets of niemand ontziende Texaan,
wel met een hart voor wie door tegenslag wordt getroffen.
Ikzelf draag het gele Livestrong-armbandje in aeternitas.
En de vriendschap van Hendrik in mijn hart



Gepubliceerd in De Muur 84

© Foto: Piet Van Belle




Katholisch

Fietsen op Goede Vrijdag:
jezelf uit solidariteit
aan 14 lamlendig steile
hellingen wagen

omdat Jezus je
vanaf een veldkruis
(in het Limburgs)
vraagt

om Hem 
Zijn kruis niet
alleen te laten
dragen



klik op afbeelding voor vergroting


 

Fiets

Gewichtloosheid en een zweem
Van onaantastbaarheid belovend
Steil omhoog minuten rovend
Parelmoerwit carbon frame

Wonder volmaakt uit modern bakeliet
Rustend in wielen van Silver XP
Stralende spaken van roestvrij DB
Bewogen door drie keer ten speed

Wellicht zal de lezer nu zeggen
De dichter verkracht poëzie
Verblind als hij is door de technocratie

Dus vindt dit sonnet drie keer niets
Welnu ik wil zulks niet weerleggen
Ik ben gewoon blij met m’n fiets


Huisdichter Cornelis
(1950 - 2024)

Koersen in geheimtaal

wie heeft er niet op z’n adem getrapt
op de tiegemberg
verdronken in de karnemelkbeekstraat
of een poef gegeven 
op de paterberg
of een schifting geforceerd 
op de taaienberg
of moest wat verf schrapen
van de carrosserie op de 
kortekeer 
katteberg
knokteberg
kanarieberg 
kruisberg
kwaremont 
kapelberg
of een schone groep laten breken
op de boingeberg
of is in regengrijs gelukkig herrezen 
op de stationsberg
geen wonder
het is classic koers 





Gent - Wevelgem

In 1981 organiseerde Yang (tijdschrift voor literatuur & kommunikatie) een poëziewedstrijd met als thema: Gent-Wevelgem. Het bekroonde en de geselecteerde gedichten werden afgedrukt in Yang 103. Klik op de afbeeldingen voor vergrotingen.














Transfermarkt: ‘mijn naam is genoemd’

op onzin kun je niet leunen, maar 
een al versleten ventiel verder opendraaien 
garandeert dat het maaiveld zich opent  

want vorm en inhoud vallen zo op het oog samen 
toch is de mens opgericht om meer moeite te doen
voor het echte lijden, zoals heuvelopwaarts fietsen

zelfs bergopwaarts, al is de vorm hopeloos en de inhoud – 
oftewel het is oorlog, of je verdwaalt al in de beklimming: 
het is sneuvelen, of letterlijk voor dood op de fiets 

de tijd verbergen
en bij het Gipfelkreuz uit gewoonte 
de krant van gisteren aanpakken, alsof de wereld 

buiten je bubbel zich zonder te lezen zal ontvouwen
de aanbevolen lijn blijft: bij de afzink de dood blind
in de ogen fietsen, om aan het eind 

het finishdoek als vangrail compleet te negeren  
dat is pas een daad stellen 
een symbiose van vorm en inhoud 

absoluut voor herhaling vatbaar:
‘je wordt genoemd’   




POLLAREDORP 105, 11UUR, 24 FEBRUARI 2024

-voor José De Cauwer – 


Mijn nederige stulp en ikzelf snakken naar de lente,
zeker op deze druilerige dag waarop De Omloop 
op amper twee kilometer arriveert, een afstandszucht. 

José staat royaal aangekondigd voor de deur, 
hij die straks met trouwe ploegmaat Karl
wieler minnend Vlaanderen en een stukje Holland
van doorleefde commentaar en koersliefde zal voorzien.
Zijn papa komt ter sprake, 102 geworden en nu nog
in een sierlijke vlucht van duiven te herkennen.
En ons beider lichte last der jaren, bijna even oud
weten we hoe onze kop en gewrichten er aan toe zijn,
maar we klagen zeker niet want straks breekt
de kleine oorlog uit die op onze nederige heuvels
het nieuwe wielerjaar echt op gang schiet.
Dan klinkt in de microstem van José meer 
dan een halve eeuw ervaring als een sportbijbel
van wat echt leeft in het zwoegend peloton.

Dan krijgen de renners ook de lof die ze verdienen:
die van beslijkte dwangarbeiders op glad asfalt,
hun klassieke koppen als door Permeke gepenseeld,
kleurrijke kunstwerken van vlees en spieren op carbon.





OMLOOP HET NIEUWSBLAD

Down Under is er al wat premature spielerei geweest
waarvan kangoeroes en koala’s nog altijd niet begrijpen
wat de zin is van die voorbij zoevende gekleurde mannetjes
midden in een storm van driftig toeterende auto’s.

Maar waar de wielerwieg staat wachten de vroedvrouwen
van de echte wielerseizoenstart op het voorspeld breken
van het vruchtwater bij de oermoeder van de koers:
Vlaanderen gooit gul zijn ontwakende velden open,
opgeschrikte kraaien krassen zich een ongeluk en
supporters komen stevig aangedikt uit hun winterbuiken,
met petten als platgedrukte frietzakken op het hoofd,
hun honger naar rennerszweet in de bloeddoorlopen ogen.

De hellingen worden haastig op een hoopje gegooid en trekken
zich na de passage van de achterop geraakte laatste krijger
bescheiden terug in hun keurslijf van modder en kasseien.
Tot plots de meest sacrale bult voor de wielen springt,
de Muur van Geraardsbergen, sublieme stadsklim
met eens de Dender over een tiental haakse bochten op weg
naar de overdadig met devote kaarsen omringde madonna
van de Oudenberg, een hoogtepunt van heidense koersreligie.

Dan nog de Bosberg als laatste opstapje naar de wielerhemel
in Ninove: een helling die haar naam niet heeft gestolen want
met haar weerbarstige kasseien onwrikbaar in een bos gegooid
waar Vlaamse gaaien in hun blauwbruin kostuum van veders
de renners in stuitvlucht schaterlachend uitwuiven. 


Multitasken

we doen in de volkswijk partijtje in het plantsoen 
na schooltijd, twee doelen van vier jassen
we fietsen als een vliegende keep naar ons stadion
de gehaktbal of slavink wordt immers niet gebracht   

de fietsen groeperen we als stewards rond het veld  
het beginsignaal is elke wedstrijd weer een ding 
keepers verkleinen hun doel, als de bal even is vergeten 

in de rust geen thee, maar een criterium rond het veld 
op advies van de beste speler; fietsen voor de kuiten
we verdenken hem van ingekochte buitencategorie  

tijdens het partijtje doen we slidings als mislukte schaar
de lat ligt hoog, ons criterium zit gevangen in ambitie
de stalen fietsen hijgen, na het eerste rondje overmoed

alleen de voorste lacht, die van de beste speler 





wielrenner

daar kwam hij langzaam aangefietst, haar langverwachte date
een man gehuld in lycra wat maar weinig goeds voorspelde
ze zag hem liever casual, hij was sportief gekleed
 
maar goed, ze gaf de man een kans, voor zij een oordeel velde
die schoentjes droegen hem niet ver, hij koos voor een terras
verwonderd keek zij naar de fiets die over tafel helde
 
een waterval aan woorden, hij was danig in zijn sas
etappewinnaars af en aan die hem te binnen schoten
na drie vier hints nam hij z’n bril af met dat spiegelglas
 
hij streelde zacht het zadel, had het framewerk zelf gespoten
de wielen van carbon, de banden met slijtvast profiel
een ober werd gewenkt, hij zei dat hij zo had genoten
 
ze stuurde hem een appje dat de date haar tegenviel
want aan dat fietsje van acht mille was zij het derde wiel


Eigen koers

Niet in afstand uit te drukken vanwaar jij bent teruggekomen.
Oplichtte uit de hel van het Noorden, op banden die al waren leeggelopen.

Vergeten eten en drinken, jezelf te sparen onderweg, zei een interview
alsof er geen pech, alsof de gedachte aan afstappen reeds uit je benen was gekropen.

Je stak je nek uit naar de kop van de koers. Zoveel tegenstand die nu moest afgeschud:
de vloek van het verlies, de druk van het publiek, de toeters van elke volgwagen

met verstomming geslagen. Van je naaste concurrent ontbrak aan de meet elk spoor.
En niemand herinnert zich nog van wie je in vorige wedstrijden, de doemverhalen,

die keren dat je niet kon reageren met de pedalen, de fiets alle kracht uit je zoog.
Enkel gejuich onder de vod, jij met je vingertje, de ogen vol, de blik omhoog.


Wielerwinter 2023 - 2024

Een terugblik

Maar goed dat sporter en supporter tijdens herfst en
winter kunnen rusten na de maandenlange zware mix
van vertier en spier, de continu gespannen boog, van de roes
der overwinning naar de pijn van verlies en nederlaag.
2023 was met voorsprong het Jumbo-Visma-jaar,
de Hollandse pletwals van carbon en staal die uniek
met Johann Strauss-allure over Europese wegen walste,
Giro, Tour en Vuelta als fel begeerde koersscalpen
aan één en dezelfde gordel, de geelzwarte heren
Roglic, Vingegaard en Kuss als triomferend trio
over drie weken loodzwaar zweetlabeur,
dalend, vlak en klimmend in hemelse decors,
landschapsparels van sublieme schoonheid.
Maar naast dit magistraal afgeronde grote Rondenwerk
was daar vooral Mathieu Van der Poel die zijn vader en
grootvader in heden en hemel met ware exploten
een ongezien delirium bezorgde: twee topklassiekers,
de dubbele regenboog in het veld en op de weg,
Vliegende Hollander met dijspieren om U tegen te zeggen,
Adri was in fysieke vergelijking met zijn zoon een pannenlat
die als het moest en kon wel efficiënt en snoeihard ging.
Gelukkig maar heeft koers minnend België nog een Remco
die net als Campert maar dan op de Luikse Roche aux Faucons 
met gulden vleugelslag voor poëtische finesse zorgde en
daarna ook nog een gouden wereld-chronorit heeft neergezet.
Van Aert was dan weer de barmhartige Samaritaan en
ongeziene altruïst met zijn royaal geschenkgebaar naar
ploegmaat Laporte die maar al te gretig incasseerde en
Gent-Wevelgem zonder schroom bijschreef in zijn zegeschriftje.
En ja, praten of schrijven over koers kan vandaag niet meer
zonder de kundig duwende dames op een fleurig podium
te plaatsen, met dit jaar de koninginnen Vollering en
Kopecky ruim op kop, Nederland-België 1-1 is hier echter
niet helemaal correct want Grande Dame Van Vleuten
was in haar afscheidsjaar ook nog prominent aanwezig
met een door overwinningen victorieus getint adieu.
We zullen Annemiek heel erg missen en wensen haar 
nog menig pittig ritje toe vanuit hotel Interalpes
dat in haar geliefd Livigno respectvol op haar wacht.

Dichtgeknepen remmen

De voorbije herfst werden de remmen definitief dichtgeknepen
door heel wat renners die aan het peloton jarenlang
kleur hebben gegeven, zo ons behoorlijk crazy vriendje Sagan
die niet meer langer als een ongeleid projectiel
-maar steeds met panache mijnheer- op asfalt en beton
zijn speelse stempel drukte, deze Slowaakse Peter Pan en
Uilenspiegel die voor het origineel van Charles de Coster
zeker niet moest onderdoen, onberekenbaar als hij was,
explosief in woord en daad, een scudraket die jarenlang
op het eerder monotone koersen van zijn collega’s
ongenadig en soms met giftig geweld werd afgevuurd. 
De Belgen zagen op hun beurt Van Avermaet afhaken,
de golden boy van het Olympisch Rio de Janeiro,
geen gekke bekkentrekker maar wel oerdegelijk
in het geselen van derailleur, ketting en pedaal.
Ik maakte hem in 2010 een weeklang mee als ploeggast
in de Tour de Suisse waar hij samen met Gilbert 
de Lotto-equipe moest torsen, een zwijgzame Greg
naast babbelkanon Philip die de lakens uitdeelde en
alles met Napoleon-allure zonder tegenspraak dirigeerde.
Laat me hier nog één exit-coureur aan toevoegen:
Thibaut Pinot, Fransman pur sang, trouw aan één ploeg,
zijn immer wiegend kopje op de gestileerde body,
te veel beau garçon om zich in het zweet te rijden,
ooit kruiste hij mijn fietsend pad op de Ballon d’ Alsace, 
ik moeizaam klimmend, hij dalend als een speer van spieren.

Interludium

Er bestaat geen echte wielerwinterrust
want gelaarsd en met een open sportgeest
voor modder en kou is daar nog het veldritploeterbad 
waarin je beslijkte renners als notoire boerenpaarden
met hun wielen van carbon de klodders klei ziet klieven,
een spektakel waar verkeerd geparfumeerde dames
of verwijfde heren met een mietjeswalm van aftershave
hautain hun verwende neus voor ophalen.
Er is daarnaast ook nog het overdekt feestje genaamd
Zesdaagse: de schrale tweeling Gent-Rotterdam is
wat nog rest van het winters flitsen over een houten ovaal
dat is omringd met half- of full monty dronken supporters
die op het middenplein hun dorst annex honger stillen
met bier en worst, het corpulente succesduo van de piste.

Op naar 2024

Ver weg hoor ik al de wilde roedel ratelende derailleurs
van het nieuw seizoen, ik zie gebogen rennersruggen
in een klassieke strijd met de al even klassieke harde tante
die de natuur veelal is: hagel, vrieskou, stortbuien en
een ovenhete zon samenkoekend tot een unieke deeg
van vallen en weer opstaan tussen brandnetels en distels
met daar tussenin een zegeruiker van rozen zonder doornen.
En nu al mis ik de Misses die niet langer meer
hun royaal rood gestifte lippen uitbundig mogen tuiten
voor de dik verdiende podiumkus die noodgedwongen
het onderspit moest delven voor de zielige doodgraver MeToo.
O dwaze preutsheid, o ondergang van vrouwelijk schoon. 
Lang leve de gepensioneerde billenknijper Sagan !



Richard Bukacki i.m.

(1946 -2024)

Bij de profs won hij in Opstal,
Melle, Laarne, Knesselare en meer
van die fraaie dorpen,

op de erelijsten van Gullegem
Koerse, de GP Raf Jonckheere
en de Memorial Fred De Bruyne
staat hij te pronken

tussen Marcel Kint, Rik van Looy,
Gilbert Desmet, Franco Bitossi,
Peter van Petegem, Philippe Gilbert
en Greg van Avermaet:

geef hem kermis, geef hem koers
en Bukacki wint de sprint
tegen Sels, van Linden, Karstens
en de Planckaert-broers


Miel Vanstreels



De muziek staat te hard voor mij

Ik houd niet zo van Mozart
Remco Evenepoel is de Wolfgang
Amadeus van het peloton
Zet hem een pruik op
en hij wint nog altijd de tijdrit
Ik houd ook niet van Vivaldi
4 seizoenen in 21 minuten, 18 seconden
Lente, zomer, winter in een flits
van brute kracht en arrogantie
Remco is Mozart en Vivaldi
 in één strakgespannen lijf  
met een zweem van Eddy Merckx 
op speed guitar

Wat is er mis met stil genieten?
De pedaalslag van Debussy
Eén Bloesem
met het ware licht van rose.


Door veld en vuiligheid

Mijn broer en ik rennen pletsend
door de modderige sneeuw
op de wegen rond de Bijlmer,
we zetten onze renschoenen in het natte zand
van de Parelloop over de Brunssumerheide,
de pratsj spettert bij iedere stap omhoog
op de verregende route
op de tocht van Kijkduin
naar 's-Gravenzande,
mijn broek is beslijkt,
mijn gezicht vol moddersproeten,
we zetten aan, beuken op de ondergrond,
wij zweten,
we houden niet in,
we genieten.

Mathieu van der Poel versnelt
door de sneeuw,
spoort zijn banden
pijlsnel accelererend
door de diepste moddersporen,
zijn gezicht toont een beslijkte grijns,
de reclameteksten op zijn shirt
hebben een blubberbad gekregen,
al zijn zijn gespierde benen
allengs bedekt met steeds 
dikkere korsten vuiligheid,
hij jakkert door, 
hij stampt en stoempt, 
hij zwoegt en zweet,
knoestig soms,
hij houdt nergens in
en wij genieten.

Al verwijst haar naam misschien
naar zon en zee,
ook Ceylin del Carmen Alvarado
rijdt hier als de beste mee.
Hoe zwaar ook het parcours 
onder de rit mag worden,
door weer en wind
stuurt zij gezwind de velo
ronde naar ronde 
met meer zekerheid over de baan,
spoort zij de banden door de sneeuw,
de modder, de bruinzwarte brij
waardoorheen nauwelijks nog
een weg te achterhalen valt.
Ergens toch, door alle slijksouvenirs
op haar smalle, gepeesde lijf,
op haar kleren en haar gelaat heen,
zien we nog de kleine, donkere kraaloogjes,
priemende vooruit staren,
met één doel:
straks als eerste langs de finishvlag.
Zij stampt en stoempt, 
zij zwoegt en zweet,
ogenschijnlijk toch sierlijk,
daar houdt ze zelden voor in,
en ik geniet.





Mathieu

Ik weet waarom Mathieu Milaan-San Remo wint. Als in
zijn rug, die boogbrug, elk spiertje spant, als de tanden op
elkaar gaan en de kin naar voren wijst, weet je dat slechts
één demarrage volstaat. Hij gaat. Heel Poggio weet dat,
Pogacar en Wout en Ganna ook. Hij duikt de diepte in,
alles uit de kast tussen de kassen, naar de Riviera van de
roem. Zonneklaar dat daar een mooi wielerjaar ontluikt,

alleen weet ik maar niet waarom hij Alpecin gebruikt.

Ik weet waarom Mathieu Parijs-Roubaix wint. Wachten,
wachten, wonen in het achterwiel van Wout, loeren op
een lekke band en dan, met een basalten kop, harder dan
een kinderkop schudden aan de boom op Carrefour de
l’Arbre en de ranke benen laten gaan, laten gaan, laten
gaan, alsof kasseien niet bestaan, de wijde vrijheid in.
Ik weet dat op de wielerbaan zijn overwicht beklijft,

hoewel zijn Alpecingebruik voor mij een raadsel blijft.

Ik weet waarom Mathieu wereldkampioen wordt. Hij
trekt de kaart Van Aert terwijl de regen klettert. Wout
weet dat. En Pogacar. En Pedersen net zo. Zij weten zich
ontredderd. En als hij valt en weer verrijst en anderhalve
schoen zijn drift niet temt, weet iedereen waarom hij,
godenkleinzoon, godenzoon ongeremd het godendom
bereikt. Ik weet waarom hij wint, ik heb het zelf gezien.

Maar waarom o waarom gebruikt hij Alpecin?




Het sprookje van twee termoflasker

ze remmen abrupt in het eerste schemerschijnsel 
voor de gesloten slagboom; fjellveg stengd 
roept een bord dat geen tegenspraak duldt

achter de slagboom een laag stenen met punt
stenen op de grusvei, waarop de eerste rijp 
zich vastgrijpt, hogerop verdwijnend in bergmist

de twee gevluchte kunstenaars stallen hun 
endurance, ontkurken de termoflaske en breken
zich stuk op het onderkoelde brood van gisteren 

het is blijkbaar wintervroeg en al vrieskoud 
wat nu? want

de slagboom strak en onverbiddelijk als grens 
voor beleving, het hangslot zonder sleutel 
dat glimt als foute kerstbal aan een brugleuning 

ze besluiten ter plekke sowieso te overwinteren 
met links de niet vaak beklommen berghelling
en rechts de peilloze diepte zonder bodemzicht  

overwinteren tot ooit, ooit tot de warme tijden 
gaan terugkeren, de warmte uit een diep dal
zoals vooralsnog varm vinterdrikk fra termoflasker




Monumentenzorg

'Respect voor het verleden, gepast eerherstel, lof alom.’
Peter Ouwerkerk in ‘Groeten uit de Tour’-2016

 Intro

Soms gaat de nostalgische dichter wellustig ongeremd
zijn gang, ook binnen de sferen van zijn geliefde sport
die hem bij momenten wel flink parten speelt
met een mateloze hunker naar wat retro en voorbij is,
naar de vergeten jeukende tijden van wollen truien en
plomp doorgezakte koersbroeken, lastige voetriempjes,
het onafscheidelijk duo aluminium drinkbussen aan het stuur,
ijzeren fietsen, schots en scheef staande worstenhelmen,
uit luidsprekers wegwaaiende Pontiac-tictac reclame,
de roodharige Yvette Horner die haar harmonicaklanken
boven het ronken van een Citroën-motor uitstuurde.

Ach, het verleden met zijn idealiserende kijk 
op figuren en dingen die ongenadig opgedoekt zijn,
weg de onschuldig verdovende walm van massageolie,
voor altijd verdwenen de rond de borst gekruiste tuben,
de versnellingshendels aan de oplopende buis,
de in sepiakleuren gevatte karakterkoppen,
de obligate ruis op de radioverslaggeving,
de reporters die hun pen in heldeninkt dopten,
de potsierlijke tropenhelm van Jacques Godet,
de tussen cols wegwaaiende stem van Jan Wauters
of de verslavende anekdotiek van Jan Nelissen.
De tijden van carbon, pothelm en ketonen
hebben heel veel van het nostalgisch gebeuren
met een koele, computergestuurde geste uitgewist
of haast helemaal en oneerbiedig doen verdwijnen,
de pure heroïek keert niet meer terug en zit levenloos en
opgeborgen in de muffe kluizen van de vervlogen tijd.

Geminiani & co

Ik was en ben al jaren gefascineerd door alles wat
met de legendarische Jacques Anquetil te maken heeft, 
zijn verfijnde Normandische carrure doemt met
de regelmaat van een klok in mijn koersvisioenen op
-hij werd niet voor niets Monsieur Chrono genoemd-,
Maître Jacques was echt geen gewone,
stilist pur sang, eveneens grand cru-womaniser,
begenadigd met een talent dat elk koerslabeur
deed wegsmelten als sneeuw voor de zon.
Ik kon twee maal niet dichter bij hem komen dan
bij een passage in een ordinaire kermiskoers
aan het eind van zijn carrière in mijn geboortedorp
of bij zijn zwart marmeren graf in Quincampoix
waar ik postuum bewonderend stil stond te zijn en
hem zelfs zijn haar zag kammen. Liggend in zijn kist.
Een fata morgana dat ik graag goedpraat voor mezelf.
Ik kwam nog zijdelings kort in zijn bedwelmende buurt
toen ik bij een Tourritstart in Gent zijn blonde knecht
André Darrigade met een huldegedicht bedacht,
de brave man luisterde daarna stil naar mijn adoratie
voor zijn Meester, André tracht nu de honderd te grijpen,
is een relikwie van opgedroogd rennerszweet en
staat voor altijd op een foto samen met mij lachen.

Van Dédé -bij ons ook een personage uit een Claus-roman-
is het maar een kleine stap naar een ander Frans icoon dat
zijn centenaire met niet meer zo rasse schreden nadert:
Raphaël Geminiani, in Pérignat-sur-Allier -een dorpje dat
weggedoken ligt onder de zwarte rubberrook van Michelin-
in een rusthuiskamer aan het bekomen van een reeks veldslagen
tussen Izoard en Soulor, inclusief zijn St Raphaël-truien.
Ergens in mei, ik bel hem: ’Bonjour monsieur Géminiani,
je suis un poète Belge passionné par le cyclisme et 
je veux vous rencontrer pour écrire des poèmes
sur votre personnalité’ et carrière.’
Na nog wat sympathie wervende Franse zinnen
hapt de stokoude krijger toe: ik ben welkom en
hoef hem alleen nog maar even te bellen 
tijdens mijn fietsvakantie in de Pyreneeën.
Ik telefoneer hem zoals afgesproken een paar weken later,
gewapend met de recente lectuur van een vijftal
van zijn boeken en brandende vragen in het hoofd,
Le Grand Fusil -zijn veelzeggende bijnaam- klinkt
haperend weigerachtig en pleegt een verbale
coïtus interruptus met naar ik vermoed gratuite uitvluchten 
als ‘mes enfants disent qu’un interview ne sert à rien’ en
‘je dois aller à l’ hôpital demain’.
Nog even aandringen en dan eerbiedig buigen
voor de hoge en dus ruimschoots gezegende leeftijd,
complete ontgoocheling, weg ontmoeting met dit icoon,
ooit nog rivaal van campionissimo Fausto Coppi,
zelf met zijn ouders voor de fascistoïde klauwen
van gruwelkobold Mussolini uit Italië weggevlucht.
Zijn verre stem klinkt nu nog na, ik bedek ze graag
met de breed opengeslagen mantel der liefde en
denk gewoon aan de gemiste ultieme kans om
dit Tour de France-monument in zijn tanende glorie
te ontmoeten, de oude scherpe rennersblik in zijn ogen,
deze koersende aartsengel Raphaël die toujours Brylcreem
in de zwartglanzende stijlvol gecoiffeerde haren had,
hij, de geërotiseerde chouchou van menige mooie Française.

Alberic Schotte & co

In het gouden tabernakel van mijn koerskathedraal
wonen een reeks grote en minder grote goden
uit de rijke wielergeschiedenis, renners met het patina
van hard labeur, bloed, zweet en tranen à la Churchill 
die nu rusten in een bed van uitgedroogde zegebloemen.
Ik denk dan vooral aan good old Briek-Albéric Schotte
die alles poepsimpel hield en zijn successen toeschreef
aan gewoonweg hard of op zijn West-Vlaams ziëre rijden.
Op een winteravond zat hij bij mij thuis op de sofa
helemaal zichzelf te zijn, pure eenvoud, geen kapsones
want dat woord stond zelfs niet in zijn vocabulaire.
Mijn dorpsgenoten en mijn eigen interviewende zelve
hielden aan Briek een onvergetelijke sportavond over,
in een bloedheet en tot de nok gevuld parochiezaaltje,
gevuld met zijn stem die knarsend in de kasseistenen 
van de Geraardsbergse Muur opgeborgen zit,
met horten en stoten, Schotte als de warme scapulier 
om de hals van iedereen die hem heeft gekend.
Zijn tijdgenoot Rik Van Steenbergen doemt ook op
uit de nevelen van de tijd, de reus uit Arendonk
waarmee ik in het Brusselse Beaux Arts-paleis
tijdens een zondagse matinee koers aan cultuur
heb gebreid: de drievoudige wereldkampioen 
was zoals altijd op zijn best met kwinkslagen en
bizarre verhalen waarmee hij lachend iedereen
grinnikend op het verkeerde koerslieve been zette,
iets wat hij ook overdadig deed bij de presentatie
van mijn roman waarin hij fictief figureert.

Van Rik I naar de Keizer van Herentals, Rik II,
met een straat voorsprong mijn jeugdidool:
ik was nog een hupse jongeman toen ik de kans kreeg
om Van Looy te interviewen, de kamer waarin dat gebeurde
was tot de nok met bewondering en lauweren gevuld.
Ook Roger Decock komt hier om het hoekje kijken:
kort voor zijn dood toonde hij mij fier het uurwerk
dat hij van Wim Van Est had gekregen nadat hij deze
als enige in de Aubisque-ravijn had zien verdwijnen,
in volle koers altruïstisch aan de kant van de weg was gestopt
om de gek dalende Wim uit de diepte te helpen tillen.
Een hart dat stil stond, een Pontiac die verder tikte,
nooit klonk een reclameslogan preciezer. 

Van deze extreme Tour-anekdote is het maar een stap
naar dat andere duo met onvergetelijke allure:
de bizarre tandem Jan Janssen- Herman Van Springel,
Jan die me openhartig en met glasheldere terugblik hielp
bij mijn gespannen zoektocht naar de fatale Simpson-dag,
als getuige wreef hij zich decennia later nog piëteitsvol
het bijtend zweetzout van de Ventoux uit de ogen.
Herman schonk me bij hem thuis een verfrissende Rochefort uit
als antidotum voor verlies en dood op de fiets,
trappistenbier in een zomerse tuin in Bouwel,
de breedste glimlach van het peloton om de lippen
van een renner die te braaf was voor zijn harde stiel.
Dit défilé van mij vertrouwde geliefde coureurs
wil ik besluiten met een huizenhoge dank aan de grootste,
Eddy Merckx die de presentatie van mijn eerste bundel
met wielergedichten bijwoonde, ja opluisterde
want hij gaf een superglans aan die Gentse première,
het Lam Gods buigt nog altijd het kopje voor zijn présence. 

Lucien Buysse, Lance Armstrong, de ultieme hommage

Ook mijn ontmoetingen met de grote zondaar
van het moderne peloton rusten in een goed verzorgde
kamer van mijn koersbarstenvol gevulde hoofd:
hoe ik samen met Armstrong het kankermonster
recht in de zwarte ogen keek, een scherpe confrontatie
met de gruwel die ons beiden extreem had getroffen,
hem in zijn ongenadig opengesneden lijf en hoofd,
ik in mijn zoontje dat de onmenselijke strijd verloor.
Lance als Forum Romanum en Pantheon tegelijk,
verbrokkelde glorie en glorievol gevulde sarcofaag.
Maar koesteren doe ik uiteindelijk vooral Lucien Buysse,
de alom en voor eeuwig gelauwerde Tourheld anno 1926,
winnaar van de wellicht zwaarste etappe ooit,
op de grijsgroene Aubisque kijkt hij in brons gegoten fier
voor zich uit, de gestolde blik , de cirkelende arend.
Het onweerde toen ik er deze verzopen lente stond,
de wangen van Lucien zaten onder de tranen van de regen,
tranen voor zijn overleden dochtertje dat hij achterliet
met de ontroerende toestemming en steun van zijn vrouw
om dat horrorjaar in Frankrijk verdriet en pijn te overwinnen,
om zijn tegenstrevers tot dwergen te herleiden
in een race uit de prehistorie, sneeuwwitte hostie Buysse
voortlevend in de ciborie van de religie die de koers soms is,
pijnlijk verblindend en verdovend mooi tegelijk.



2007, Zesdaagse Gent: André Darrigade en Willie