Dodenrit

Vechtend tegen de zwaartekracht rijd ik
in de richting van de top die mij heimelijk
toelacht, zich nog niet wil laten zien, zoals
ook de laatste bergmarmot zich als een

aangeslagen dier verborgen houdt in zijn hol.
Ik klim langs een vermoeide, trage stroom die
kronkelend zijn weg verlengt – zijn laatste
wateren bestemd voor de naderende woestijn.

Na het bereiken van de col, waar de zon zelfs
geen schamele schaduw achterlaat, daal ik
af langs de rand van een ravijn, krijg ik een
onbeperkt zicht op een kaal, godverlaten land.

Geen koe die vriendelijk naar mij loert,
geen geur van gras die ik diep snuif
geen wind die mijn haren zacht beroert –
zo trap ik het luchtledige onder mij weg.

Slechts de wielen fluiten licht als ik val
in een kokende kuip waarin zich een
achtergebleven dorp baadt, verdoofd
in zijn eeuwige middagslaap.


Harmen Malderik

Cero cero cero cinco


ach, Alberto, jij met jouw cero cinco
en toch drie rondes afgepakt
terwijl de wetenschap toen verklaarde
dat in deze dosis glenbuterol
niet stimulerend bleek

jij van het zuiverste ras
onder de colbeklimmers
en dat al dansend op de pedalen

toen je even versnelde
kon geen enkele andere
jou bijhalen

toch afgeschilderd als dief
en bedrieger terwijl jij oprecht sprak
en nog altijd verbolgen

zouden de organisatoren niet beter
voor een rechter worden gedaagd:
Lotto waagde het en heel de ploeg
werd naar huis gereden

de dames en heren, zeg maar de bonzen,
zelf met boter aan de spreekwoordelijke knikker:
immers samenwerkend met alleenheersers
en al die slavenarbeid

jouw strijd is de mijne hopende
dat deze schurken en hun praktijken
achter de tralies verdwijnen

Houdbaarheidsdatum

Hoe lang kan de veertigplusser de benen blijven strekken
de tenen blijven krommen in vastgeklikte schoentjes
te smal voor de ingesnoerde lusten van zijn lichaam
te klein voor zijn ingezwachtelde ambities van nu

toen nog volop in potentie en vooraan in de strijd
de knuisten het stuur omklemmend alsof hoorns
het stierenvocht sijpelend uit bilnaad en langs helm
het zweet lekkend uit de poriën en bloed spugend

de adem snokkend langs adamsappel de longen haast
geknapt door druk  spanning of teleurstelling ook
vaak met fiets het asfalt gezoend maar liefkozend opgepakt
in blinde liefde voor het vak van beulsknecht op de weg

wanneer wordt de laatste bidon gevuld met bloed monsters
en paspoort met geheime waarden nabruisend nog van
onvervuld verlangen om naar die ene geklopte koers

terug te kunnen in die vluchtig voorbije roemwereld
maar vooral hoe lang je nog die 180 slagen per minuut
uit het hart pompt als ritme van de ware kampioen

maar 20 slagen minder in de laatste test
of was het dertig zelfs


Kees van Meel

Beste T

Ik lees dat je je carrière al
geslaagd vindt, ook al win je
nooit de Tour,

in eigen land mag je dan
geschiedenis schrijven
met een zege

in het WK tijdrijden
en de Giro

maar is dat genoeg
om niet vergeten
te worden,
om niet in de marge
van het cyclisme
te belanden

over pakweg
vijftig jaar,

vraag is

wil je een Carlo Clerici
of een Jean Dotto zijn

terwijl Bartali, Bobet,
Gimondi en Lemond
je wenken,

beste T, laat het je gezegd
zijn door iemand
die al zestig jaar
geen deuk in een pakje
(smeltende) boter rijdt:

koersen doe je niet
voor vandaag of morgen,
koersen doe je
voor de eeuwigheid


Miel Vanstreels

Winterstop

Hoe de fiets zonder grip tot stilstand komt
zoekend naar balans langs de wegkant

Hoe de enige tegenligger opveert, inzoomt, stopt
terwijl je al genoeg hebt aan jezelf
misschien wel boven het toegestane gewicht
maar je verplaatsen zonder fiets wekt maar argwaan

Hoe je wordt verzocht je hoofd leeg te maken
alles te deponeren in de gearriveerde spreekkamer
alles over niet eerder genomen stappen
al die onderdelen die een fietsheld onbewust vergeet

Hoe je zonder klik afstand neemt
van de vermogensmeter, de hartslagmeter, de pomp

Hoe je de moed als een chasse patate bijeenraapt
en de laatste mentale meters grondvorst
weg ziet schuiven

een tijdrit van demarrage, afzink en zwaailicht
naar een wachtkamer vol bloedeloze wintertenen


Bert Struyvé

Bedrog

altijd winnaarsblik

maar plots het jaar daarop leek hij te kruipen
in het wiel van gedrogeerden gepakten
naïeve renner was zonder spuit schlemiel
puur ongebroken te goed voor bedrog

helaas waren snelle spieren in bovenbenen
de kogelkuiten in tweemanschap
niet meer genoeg tegen list en leugen
goochelen met bloed en waarden

het einde van zijn carrière kwam stotterend
maar hopeloos snel


Kees van Meel

Afscheid

ik kan geen afscheid nemen
van bloesems in het voorjaar
de potpourri die erop volgt,
de lagen groen die met
mekaar in concurrentie gaan,
de Vlaamse voorjaarskoersen

hoewel, wat is die adoratie waard
die teert op krakkemikke wegen,
een rot gebit en brokkeltanden,
een volk dat van kassei en kavels
die pijn doen aan de ogen
een favoriete landschap maakt

geef mij dan maar de wulpse lijn
van heuvelruggen achter Luik,
het knappe lijf van Lombardije,
een oksel van de Alp, een tiet
van Dolomiet, daar schuilt de
ware erotiek die doet verblijen


Herman Laitem

Wij willen hem een naam

we zoeken hem een beeld
we willen hem een naam
(waarover is nagedacht, vooral niet te spontaan)
een naam voor nu en voor altijd
voor luisteraars en analfabeten
en voor zij die kunnen lezen

geen tulpen of klompen
geen vliegende hollander
of  maastrichtse bourgondiër

misschien iets met molens –
bv de malende molenwiek

nou ja, als het maar iets met een molen is


Harmen Malderik

kleine ode aan Il Incombatido

geboren in Las Llumbreras uit een ware
wielerfamilie zoals elk talent
door de natuur wordt dus geen reden
tot trots, wel zijn doorzetten en harde werk

volgens deze dichter volkomen oprecht
en steeds in de aanval net als mijn grote Keizer
en precies om die reden juich ik hem toe:
deze kampioen van 38 slechts bij toeval of door
een misrekening door Joop overtroffen

hij wint als het ware zonder enige moeite:
een kampioen op sloffen, doch bekijk
zijn tegenslagen, zijn doorzettingsvermogen
ben je niet verbluft, wrijf dan
het zand uit je ogen

deze woordenkramer is een bewuste aanschouwer
en altijd bereid om bij te leren: immers aan één leven
heeft geen mens ooit voldoende, niet eens een genie:
een uitzondering mag zeggen ‘mijn werk is af’
doch enkel op zijn sterfbed wanneer nog meer
niet kan

was ik een vrouw dan viel ik voor deze Spaanse man
en Jung leerde dat in elke macho
wel een dame zit verscholen
dat merk je aan hun pronken en gepoch
op gebronsde huid en overtrainde spieren

Schopenhauer leerde rond 1850: elke mens
is net als de dieren, even zelfzuchtig en wreed
en enkel de zeldzamen kunnen zichzelf doorzien
of doen het spontaan zonder één boek

in deze nacht weet ik genoeg
hoewel de nieuwsgierigheid blijft
doch ieders pc’tje is een klein ding
zodat elke kennis voorlopig zal blijven
en soms zelfs gering


Staf de Wilde

Proficiat

WK voor dames nu!
Machtige tijdrijdsters
Eén wordt Van Vleuten
Ons fietsend genie

Ereschavot is een
Suprematietableau:
Twee Van der Breggen
Van Dijk staat op drie!


Frits Criens

Niet de eerste

hij viel niet op de kasseien
niet in een onuitgeslapen peloton
of tegen een lantaarnpaal
maar bleef steken in de sneeuw –
het koude lijden

geboren voor nederigheid
reed hij zijn eigen glorie voorbij

een jaar lang wachten
om weer een ander voor te laten gaan
dit keer zonder kans op revanche of wraak
want er kan er maar een de eerste zijn –
de enige eerste, voor altijd

de historie kiest zelf zijn winnaars uit

kruijswijk lijkt teveel op kruisweg.


Harmen Malderik

In Ronse ligt een streep – WK 1963

Er galmt nog steeds een luide echo
die koppig weigert te gaan liggen
in het hoofd van de oude keizer.

's Nachts woelt hij zich de benen bloot,
wijkt uit naar links uit pure nood,
want voelt de schaduw van verraad.

Dan kwakt hij hem, de Brutus van weleer,
De groene slang, vermomd als leeuw
Voorgoed de koude nadar in.

Hij fotoshopt daarbij zijn wiel voorgoed
voorbij de flinterdunne grens
van zoete wraak en eeuwige wens.

Maar als gedoemde Sisyphus wordt hij
maar zelden wijzer, voelt hij de droom
als lood, het leven als oud ijzer.

Moet Nini hem uit zelfbehoud van zich
af gaan duwen; de keuze tussen bed en
vloer of een verloren kluwen.

Soms schrikt ze wakker, klinkt een kreet
van merg en been en spijt; dan oogt
haar Rik een zuil van zout die jankt en jankt ...

B-E-H-E-Y-T


Herman Laitem

Vuelta

de dichter fietst een ochtenduurtje Vuelta
met dichte oogopslag doezelend op de droombank
het is een rollerbank met ultiem trage pedaalslag
koersend over wegen in waaiers van woorden
als een fietsende accordeon tegen toeterende
automobilisten die groeten met die ene vinger

buenos días y adiós roept hij stichtelijk terug
en stevig in het zadel verbeeldt de dichter
de voet van een steile muur als zijn stijlsprong
het is een heus viaduct dat in het rood kleurt
dat het uiterste wattage tot deadline maakt
alleen snelle vroem vroems laten zich hier gelden
toch denkt hij zelf even ik bén Chris Froome


Bert Struyvé

Cauberg

Niet op de Mont Ventoux,
de Galibier, de Aubisque
of de Tourmalet,

niet op de Mortirolo,
de Stelvio, de Gavia
of de Angliru,

niet op de Kapelmuur,
de Muro di Sormano,
of de Mur de Huy,

niet op de Poggio,
de Jaizkibel
of de Redoute

maar hier passeerde
de Vuelta, hier
resideerde de Tour

hier lag de finish van
een klassieker

hier werd gestreden
om de regenboogtrui
tot vijf maal toe:

op de Eddy Merckx
van alle heuvels
& bergen

trap ik me altijd
blijmoedig moe


Miel Vanstreels

Johan Museeuw

Zoals gigantische wolkenpartijen
over de polders van Gistel komen zeilen,
dreigend en stil, zo spookte het bijwijlen
door zijn hoofd. Dat hij storm en drang moest
verzamelen, voor een paar zondagen in april.

Ook de monumentenstrijd bracht hem
op gedachten. Koppenberg, de Muur
van Geraardsbergen, de weg door
het mystieke braambos van Wallers –
vaak na restauratiewerken, zelfs
van eigen, gekwetste vlerken. Elke keer,
altijd weer met gespierd verzet. En krachten
om kasseien te splijten.

Al wilden ze ook wel eens terugbijten.


Patrick Cornillie

Mont Ventoux

                            Mont
                      Mont Ventoux
                   De Mont Ventoux
                 De Mont Ventoux op
               Fiets de Mont Ventoux op
             Ik fiets de Mont Ventoux op
          De Mont Ventoux op fietsen is saai
      De Mont Ventoux op fietsen is een saaie activiteit
    De Mont Ventoux op fietsen is een erg saaie activiteit
  Doe het zelf en je vindt dit opeens een sprankelend gedicht
(Er zijn er die zeggen dat het zoiets als de liefde is)


                                 Mont
                           Mont Ventoux
                          Le Mont Ventoux
                     Montant le Mont Ventoux
                   En montant le Mont Ventoux
                Montant le Mont Ventoux en vélo
           Le Mont Ventoux en vélo, montée monotone
         Le Mont Ventoux en vélo, une montée monotone
     Le Mont Ventoux en vélo, une montée très monotone
  Le Mont Ventoux en vélo, une montée très, très monotone
 Faites-le et vous trouverez ce poème d'un dynamisme inouï
(Il y en a qui disent que c'est comme l'amour)


Nanne Nauta

Piraten

Geen haar op je hoofd
Dacht eraan
Wielrenner te worden
Nee een kampioen was je

Immer en danseuse
Ook al was je gebroken
Al brak je alles
Je wil was enorm

Voor dood achtergelaten
Toen al
Kwam je terug aan de top
En dan begon het pas

De afdalingen lagen je minder
Ook je vriendin danste mee
Hoe kon het ook anders?
Respectlozen gaf je geen blik

Ze hebben je gezocht
En uiteindelijk vinden ze
Een ware artiest lijdt eronder
Een cowboy lacht ermee

Maar wat dreef je weg uit Cesenatico?
We weten toch allemaal
Dat Rimini niet deugt
Barmannen bewaken er het geheim

Het drama was onafwendbaar
Het wielrennen verloor zijn kleur
Je bandsporen gelukkig nog zichtbaar
Met engelenrecords op l'Alpe d'Huez

Marco de liefhebbers missen je
Je moeder weet zich geen raad
Je race vloog voorbij
Steeds gaf je een vertoning

Net als Frank
Ging je ten onder aan het moment
En later aan het spul
Zo gaat het lot

Maar toch blijft me bij
Van deze wereld
Kampioenen zijn groot
Piraten het grootst!


Gatel de Jeriba

Herman Van Springel en Jan Janssen

of
de tragische clash in de Tour van '68
of
de luttele 38 seconden 50 jaar later

1. De triestige proloog

De Golden Sixties waren niet al goud dat blonk,
er zaten ontelbaar veel giftige adders onder het gras:
de moord op Che Guevara trilde nog na in La Higuera
waar zijn bloed maar niet wou stollen,
in Vietnam spuiten uit duizenden aders
helrode fonteinen van vernieling en verdriet,
in Saigon krijgt een Vietcong een kogel
door het hoofd terwijl de wereld toekijkt,
Martin Luher King sneuvelt, Rudi Dutschke bijna,
Robert Kennedy valt in het bloedspoor van zijn broer,
in Frankrijk trekken arbeiders en studenten
schouder aan schouder ten strijde -allons enfants-,
het Ancien Régime wankelt maar Le Général
die twee wereldoorlogen heeft overleefd staat pal,
de revolte loopt zich tegen zijn pantser te pletter,
in Leuven krijgt eng nationalisme de Walen buiten,
een egocentrische voorbode van 'Eigen Volk Eerst'.
Ik kokhals in mijn jonge kop die Vinkenooggewijs
liefde wil en alleen maar liefde.

2. Het jaar na Simpson

Over het Kanaal, noordwestelijk en Brits, ligt
in de schaduw van een vermoorde mijnschacht
het gevelde lichaam van de te ambitieuze kampioen,
Tom Simpson slaapt er zijn zegeroes en utopia uit,
onder een zwarte grafsteen die niet laat vermoeden
hoe wit de plaats was waar hij een jaar eerder is gestorven:
op een berg, genaamd Ventoux, een bleke desolate plek waar
alleen de wind en hitte thuis zijn, een knekeltuin van rotsen.
Maar anno 1968 laat de Tour de berg koud en
duldt hij geen zweet van afgematte renners op zijn flanken.
De karavaan spreekt met gedempte stemmen uit één mond
over de één jaar oude martelaar en draait daarna ongegeneerd
de zwarte bladzijde om met wild wentelende wielen.
De Tour is hard als staal en kent geen mededogen,
heel soms krijgen zijn gevallen helden er een monument
waaronder zij eeuwig naar adem mogen snakken.

3. De val van chouchou Poupou en de open strijd

Quatorze Juillet, la douce France schittert
met haar onaantastbaar aureool rond Jeanne D' Arc
-de enige ware koningin van dit hemels land-
wanneer op weg naar de ovenhete stad Albi
de chouchou suprême van het wielerminnend volk
door een motard tegen het wegdek gekegeld wordt.
Grieks drama over het hellezwart en heet asfalt,
Poulidor ziet zijn zegekansen in rook opgaan en
rijdt als een bloedend Limousinrund over de meet.
Albi laat zijn Meesterschilder Toulouse Lautrec
de katafalk voor de gevallen renner inkleuren zoals
de Meester dat ooit met het tentzeil deed waarop La Goulue
haar Moulin Rouge-benen de lucht inzwaaide,
morbide French Cancan voor de gekwetste renner.
's Anderendaags duiken Aimar en Pingeon in het gat,
met hier en daar ook een flard Wolfshohl en Bitossi
wordt de as Rome-Berlijn in oorlogloze eer hersteld.
Op de achtergrond de Belgen Bracke en Van Springel,
een wereldrecordhouder en zijn stille secondant
die de gele trui van zijn sponsor Poeders Mann
nog niet als voorbode van dat andere geel ziet.

4. De Onze Lieve Vrouw van Jan in Putte

Naast de voordeur van Jan's zonverlicht huis:
in een klein venster zit een glasraam
een en al kleur en Onze Lieve Vrouw te zijn:
woont hier een doodbrave ouderwetse katholiek,
vraag ik me af maar vrouw Cora zegt gewoon
dat haar kundige vader het heeft gemaakt.
Jan zal me daarna onomwonden bekennen
dat hij veel aan zijn geloof heeft gehad,
dat het hem sterkte in moeilijke momenten:
godsvrucht als ultieme scapulier tegen drama's en
valkuilen in het peloton, tegen het noodlot
dat om elke bocht naar de renners loert,
een heilige glasraamvrouw als duwtje in de rug
op weg naar het stralend geel in Vincennes.
De gentleman-coureur die zich veilig en geborgen weet
onder een baldakijn van fladderende engelen.

5.De pijn van Herman

Die zwartgele zondagnamiddag van 1968 in Vincennes:
in de sombere catacomben van de wielerbaan
zit hij ineengedoken, een gekwetst en verslagen dier,
kop tussen schouder, tranen in de ogen.
De gele trui zit kleurloos om zijn verlamd lijf
dat geschokt en afgepeigerd de nederlaag en
de ontgoocheling verwerkt, een moderne Christus
zonder doornenkroon, onzichtbaar gekruisigd,
pijn tot in de kleinste vezel van het lichaam
dat vertraagd de tijdrit naar Golgotha herbeleeft en
beeft en schudt tot in zijn kleinste pezen.
Troosten lukt niet, ook al zit er een arm om zijn schouder,
de hemel die op het arme hoofd is neergestort is
hel geworden, een vlamloos inferno van verlies
dat zijn klauwen in het hijgend lichaam priemt.

6. Een Hollander in België

Er hangt altijd wat gezonde ouderwetse spanning
in de lucht wanneer Belg en Nederlander
vredig samen zitten en hun tongen scherpen
aan een andere taal die finaal dezelfde is.
Maar Jan weet beter nadat hij geel won en
na zijn wat onverwachte zege in de Tour
komt koersen in het land van Brel en Kuifje,
wanneer hij er dan zeldzaam op zijn fiets springt
zijn het awoertgeroep en schelden niet uit de lucht,
iets wat hem nu nog altijd kwetst. En terecht.
Maar The Times They Are a-changin:
met de jaren werd Belgische mildheid zijn deel,
hij zegt dat hij in het Aalsters na-Tourcriterium
voor de exquise oldtimers van de koersfiets
op applaus en aanmoedigingen wordt onthaald,
de tijd heeft het oud rumoer de mond gesnoerd,
nu rest hem nog de glans van de verdiende roem.

7. Oranje supporter

'Dirk Dirkszoon ?
Matthijs Mathijsen ?
Jonas Jonaszoon ?
Gilles Gillijnsen ?

Wat te denken van:
Klaas Klaassen ?
Dries Driessen ?
Of Hans Hanssen ?

Een echte Hollander
viert elke 21 juli nog
de naam van Jan,
de eerste Janssen.'

      Peter Ouwerkerk

Holland stond die zondag op zijn kop,
de old fashioned koningin Juliana verdween somber
tussen de droeve plooien van haar huwelijk,
de goede oude Pontiac van Wim Van Est tikte
alsof hij nog maar pas geolied was, het ravijn lag al lang
in muffe wielerboeken tussen demente rotsen begraven.
Koning Jan wekt in Parijs met een chronorit de natie
die in een diepe zomerslaap gevallen was.


8. Tricolore supporter

'Altijd mee vooraan, altijd
Herman, held van mijn jeugd
helden houden afstand
om held te blijven
Herman blijft mijn held
zelfs van heel dichtbij
waar zijn kacheltje brandt
en blijft branden.'

          Mark Uytterhoeven

Met een speels gebaar naar Paul Van Ostaijen
groet Mark 's morgens de dingen maar tegelijk vergeet
hij nooit om bij elk ochtendlijk kraaien van de haan
aan zijn jeugdidool te denken: Mark Uytterhoeven
als supporter pur sang, doordrongen van onwrikbare trouw,
ooit begenadigd reporter van kamwielen en rennerszweet,
nu uitblazend bij het altijd warme kacheltje van Herman.

9. Rochefort

Driekwart eeuw oud of beter: jong,
want Herman oogt als een jeune premier,
ontspannen, scherp, alsof hij nog maar pas
zijn racefiets aan de koershaak heeft gehangen.
Hij nodigt me uit op een hoogfeest voor de tong:
het savoureren van een donkere Rochefort,
een godendrank  klaargestoomd door paters
die er hun hemel op aarde mee verdienen.
Het zalig vocht brengt dichter en renner
dichter bij elkaar, juli '68 ligt ver achter de rug en
wordt een schaduw die steeds maar kleiner wordt en
in het huis geen zichtbare sporen heeft achtergelaten.
Oké, er is nog een groene trui waarmee Herman
ooit Parijs en de Tour verliet, een wollen troostprijs
voor het geel dat van zijn schouders werd gerukt.
De mooie rennerskop droomt even weg,
Herman, een man die warmte uitstraalt,
een groot kampioen zonder kapsones,
a sportsman for all seasons.

10. Zalf op verse wonden

Jan weet goed hoe kwetsbaar hij is als mens,
elke nieuwe dag die hem wordt gegund
is en blijft hij dankbaar, ook voor de zonnegele trui.
Want ook de kelk is niet aan hem voorbijgegaan,
de gevreesde ziekte knaagde zijn rust aan flarden:
hij kraakte, knakte, greep een tweede kans
die hij nu met gans zijn lijf en kop benut.
Ik hoor hoe hij in zijn woorden de hand reikt
aan Herman en zegt: Ik heb je geklopt maar
ken je pijn, vergeef me de zegeruiker die
ik je nu nederig en in vriendschap bezorg.

11.Oranje-gele gekte

Jan werd als een god in Nederland ontvangen,
zijn gele Tourtrui kreeg er een oranje gloed en
zowel man als vrouw gingen door het lint
toen hij in het criterium van Chaam zijn faam
met 150 000 uitgelaten supporters zag bekroond,
zij schoten er als paddenstoelen uit de grond,
sommigen knielden neer en kusten het asfalt
waarover hun held zopas was voorbijgeflitst.
Wielergekte tussen Heineken en braadworst.
Alles werd met beverige televisiebeelden
tot in de huiskamers gebracht, kijkvreugde alom,
in de bioscoop groeide het Polygoonjournaal
door het timbre in de stem van Philip Bloemendal
uit tot een feest van hemelse retroklanken,
Bach en Mozart met een wielersausje overgoten.

12. Brothers in arms

De zon schijnt gulzig in het Grobbendonkse huis,
de groene trui baadt in een zee van licht,
een tweede Rochefort doet zijn zaligmakend werk
in kop en benen, Herman is van diamant en goud
wanneer hij over de koers en het leven praat.
Tot de jong gestorven zoon verschijnt,
een ver en mistig beeld zonder woorden,
we kijken mekaar in de ogen, brothers in arms,
we zien hoe onze jongens samen door een hemel fietsen,
Peter en Miguel, beiden veel te jong verdwenen,
diepe littekens in het vlees van renner en dichter
die treuren om de uit het nest gevallen vogels.
' Daarmee vergeleken zinkt mijn nederlaag
van juli '68 kompleet weg in het niets', zegt Herman.
Een haast sacrale stilte wordt en is voor altijd ons deel,
we komen binnen net buiten tijd, gedwongen opgave,
de draaiende wurggreep van de wijzers op de klok .


Willie Verhegghe

Eerder verschenen in De Muur, juni 2018

Verguisd kampioen

Harm won de wereldtitel ongegund
renner van niks met de vette kluif
ervandoor voor de grote kanonnen
die hem tot veevoer vermaalden

geen platte koers was nog voor hem
ze staken spaken dwars door zijn wielen
remden hem brutaal van zijn weg af
misgunden hem die verdiende zegepraal

hij werd stilgezwegen zijn fiets verdween
in de afgrond van het water een brug te ver
voor de carrière die nooit had willen starten
dan in die ene bizarre triomfdaad

maar zelfs hun boze oog kreeg de titel nooit vermorzeld


Kees van Meel

Herman Vanspringel

Al te dikwijls in het keurs van zwijgen
en Kempense verknochtheid geprangd.
De waar van zijn talent moeilijk verkocht
krijgen. Janssen en de gemiste kansen,
het harnas van het modeste Mann.

De ijver om zich van tegenstand en twijfel
te bevrijden. Grootspraak zat bij hem
enkel in de benen, waarmee hij eeuwig
door kon blijven rijden. De tricolore trui,
twee keer de Landenprijs, vijf klassiekers,
zes Tourritten, zeven keer Bordeaux-Parijs.

En toch. Wat schuw, wat schuchter, leek er
van deze Tamme Goedzak altijd iets
verontschuldigend uit te gaan.

Een kampioen zonder het erom te doen.


Patrick Cornillie

Jan Janssen

Mijn Vlaamse moeder
was zeer gecharmeerd

van die Hollandse
coureur die zo beschaafd
praten kon,

op de avond
van 21 juli 1968
schreef ze hem
een brief

waarin ze hem
uitgebreid feliciteerde
met het winnen
van de Tour,

het standaard kaartje
waarmee Jan haar
bedankte

heeft tot haar dood
ingelijst
op het dressoir
gestaan,

het was lange tijd
een bron van ergernis
voor al wie
met van Springel
was begaan


tweet tweet - tweet tweet tweet tweet tweet -

(vrij naar Jan Hanlo)

twitter vederlicht dat zonder achtervering
carbon niet stroperig is, zolang je het niet verdikt

dat vierentwintig spaken altijd in de bodem smoren
en een lichtstraal water nooit kan breken

dat een groepsapp over zondagmorgen
korte metten maakt met alle smaken koffiepads

dat de zomer op enig moment een complot is
als slechte rap van kommer kwel en regen

want je leest ook
dat iemand soms met succes zijn fiets op zee stalt
je drinkbussen meestal in niet gemaaide bermen vindt
en een binnenband soms in de vangrail hangt

je wilt eigenlijk zeggen dat een demarrage van twitter
met #hagelmeningen geen feiten biedt
maar werkt als een slecht opgezette ontsnapping 

maar ach, je kijkt ook niet op
als je op de kasseien analoog een plein oversteekt
en een stoere, groen uitgeslagen snor
met stalen fiets van zijn sokkel stapt

de wielerheld die als statue of liberty
voor het wereldoog tot leven komt

als statement


Bert Struyvé

Fausto Coppi

Grote koppen en foto’s in de
krant, heel Italië was in rouw,

wat doet een bleke coureur
in Afrika, hoe krijgt een mens
malaria,

wie bedoelt men
met de Dame in het Wit

en hoe koud word je
als je zo ligt opgebaard,

geen vragen voor een snot-
neus van acht, leg die krant
nu maar weg en ga wat spelen

anders slaap je niet
vannacht


Miel Vanstreels

Yvette Horner

Reine de musette et du Tour

Deze herfst zou ze 95 worden: 'Yvette Horner,
née le 22 septembre 1922 à Tarbes, est une accordéoniste Française'.
Zo leert Wikipedia de koers- en Tourdwazen .

Yvette die boven op een Citroën Traction Avant decennia lang door
mijn wielersportief leven blijft rijden, haar vuurrode haren in de wind,
een muzikaal monument van de Tour want in deze zelfde Tour
in de jaren '50 en '60 twaalf jaar lang met haar glinsterende harmonica
kwistig de musette uitstrooiend over bezwete supporterskoppen
en het rijke goudgeel van zonnebloemvelden van la douce France.

Haar opzichtige sombrero tegen de felle zon,
langs de weg het wegwaaiend applaus van de massa
die vol bewondering en luid haar naam scandeerde:
als de verschaalde geur van oud parfum zit het in mijn neus,
als op een kleurenfilm vol krassen zie ik haar op een Citroën
hoog boven mijn tienerhoofd in het Expo-jaar '58
in mijn  geboortedorp op de steenweg Aalst-Ninove
met een aureool van eeuwigheid voorbijrijden.


Willie Verhegghe

Zogenaamd

Monsieur Paris-Roubaix, Monsieur
Bordeaux-Paris. Le Pédaleur de Charme,
de Sneltrein van Forli. De Adelaar van Toledo,
de Kletskop van Monza, El Toro en Don Fredo.

De Beer van ’t Heike, de Engel van het
Hooggebergte. Monsieur Chrono en El Rey.
De Criq, de Kneet, de Vlo, de Dwerg. De Lange
van Gooreind, het Bakkertje van Berg.

Jaja, Poupou, Le Grand Fusil, Le Blaireau.
Labieke, Poeske, The Boss en Bimbo.
De Zwarte Arend, de Jonge Griek,
de Leeuw van Vlaanderen en IJzeren Briek.

De Koning van de Pyreneeën, de Keizer
van Herentals, Der General.
Il Elefantino, Checco, Il Monaco.
Il Magnifico, Il Campionissimo.

En vooral De Kannibaal.


Patrick Cornillie

Jelle Nijdam

op soms mistig getinte beelden kwam
plots een Brabants kanon naar de meet
een of twee kilometer een oneindigheid
meter voor meter de meute achter hem
snuivend van woede en woestheid
de adem afgesneden de spieren vol lood

de jachthonden roken zijn bloed
zo dicht zo ver zo voor het grijpen
maar Jelle trok met een laatste grimas
fiets en lijf over die verdomde streep
hij had gewonnen was iedereen de baas
een menselijke kogel afgeschoten

zijn ware kracht zat in de genen van de vader
de nieuwe kampioen volgde zichzelf hier op


Kees van Meel

Klimmen

Zo werkelijk onwerkelijk, minnares en meesteres,
een godin in een veelvoud van namen en lichamen:
Marie-Blanque, La Madeleine, Puy Mary, Col d’Agnes.
Komt hij zijn lang verwachte opwachting maken.

Haastig en hitsig, licht van lenden zal de eigenwijze
zich bewijzen (haar bedwingen, haar behagen).
Voor het eerst en voor even, maar toch met een soort
streven naar onsterfelijkheid zal hij op wolken jagen.

Niets houdt hem tegen om ervan af te zien.
Voor die onaantastbaar gewaande: het verstand
op ijl, de blik op steil. Zal hij aan de zwaartekracht
ontsnappen, tot hij opstijgt en vleugels krijgt.

Maar kronkelend om leugens en listen,
klapwiekend langs het venijn van een ravijn
fietst hij zich dood en doder en doodst.
Op de berg de dwerg, in zijn nietigheid het grootst.


Patrick Cornillie

Niki schrijf je met één K

die van kampioen
met karakter en kloten uit Krommenie
coureur van Quickstep koersend over
Carrefour de l’arbre als was ’t een wielerbaan

die van de laatste kilometers
de kruisweg die geen mededogen kent
knallen krommen knarsen kraken
en nooit, nee nooit omkijken

Niki schrijf je met één K
die van kampioen
met een klakske op z’n kop
en een kolossale kassei in z’n klauwen


Bort Hartog

Anders op de fiets

Anders op de fiets
hij ziet de kek geschoren benen
een woud vol mooi gelakte poten
snoepwerk voor zijn fantasie

elke demarrage gebalde spieren
wegvluchtend van zijn lusten
hij trekt mee de heuvels op en af

geen man mag ooit zijn aard
hier kennen of een vermoeden
dragen van zijn lichamelijke leed

verdragend elke dag in de schoot
van het denderende peloton
een eenling een enkeling van staat

al wint hij telkenmale aan de finish komt hij nooit


Kees van Meel

Gent - Wevelgem '18

Van Gent waar de poëzie torenhoog
overeind staat en niet alleen
in het huis op de Vrijdagmarkt

kleurrijk feest van shirts en wielerbroeken
geen regen die vat heeft op het zweet
het gretige van jonge jongens in de strijd

twee keer Zwarteberg en Kemmel een kruisgang
hoe ze voor de God van Vlaanderen knielen
als het verzet even hapert of verkeerd staat

het schakelen uit de vingers getrokken
nu het zich met tippen van elektriek bedient
het motortje te vroeg opgeblazen

‘Erbarme dich’ zingen toegestroomde leeuwen
langs de kant van kasseien en Plugstreet
ze moedigen met vlaggen de helden aan

die het aan het eind afleggen
tegen gehaaide kopmannen met hun oortjes
zij lezen de koers als een verweerd missaal

weten dat het doek valt op de meet
waar een washand modder van de koppen veegt
uitgeblust leven klaart op in Wevelgem


Frans Terken

Gelost

hij zakte uit de zuigkracht van de waaier
sneed de polsen aan de wind de aders blauw
gemerkt tot in zijn diepste poriën

maar meter na meter verdween hij met
kompanen naar de achtergrond waar strijd
om winst of verlies niet meer telde

minder dan het overleven tussen de zwakste
schakels van deze rit midden tussen volgauto’s

hij wist zijn moeder met nat washandje
vergeefs wachten voorbij de finishlijn


Kees van Meel

Waaiers

Regen en meeuwen waaien landinwaarts.
En omdat het geen weer is om een hond
door te jagen, rijdt daar dan maar een rij
renners, een sliert van kromgebogen mannen
op metaal. Schouder tegen schouder zoeken
deze piotten beschutting in rotten. Leunend
en diagonaal. Tot ze, kreunend, alleen nog
weet hebben van volgen.

De strakke zeebries is er om het peloton te ordenen.
En een waaier wordt zo lang als de weg breed is.
Er zijn de dapperen, er zijn de schuin-
marcheerders. Aan kant moeten ze, die laatsten.
Als in een tafereel van Permeke: schots en scheef,
met de elleboog op een denkbeeldige toog wapperend,
kapseizen zij expressionistisch uit het lint.
Raken zij in de wind.


Patrick Cornillie

De gevallen engel

of de Calvarie van Frank Vandenbroucke in zeven staties

-I-

Genesis, Moeskroen, 6 november 1974
In het begin schiep God de hemel en de aarde.
De aarde was woest en leeg.
Toen sprak God: 'Er moet licht zijn'.
Na de dieren en de planten te hebben geschapen
en alles wat over de grond kruipt, soort na soort,
zag God dat het bijna goed was en sprak:
'Nu gaan we de mens maken, maar eerst de renner
die als mijn evenbeeld zal leven,
even almachtig en door iedereen aanbeden
'.

En God schiep Frank, de Adam van de racefiets,
mooie vrouwen kregen een plaats naast hem
om hem te behagen en gelukkig te maken.
Maar ook hier deed de verboden vrucht haar werk
van zonde en verval, er waren dranken en spijzen
die niet mochten worden gedronken of gegeten,
God had de renner begenadigd en vergiftigd tegelijk,
de zondeval werd zijn niet te vermijden deel.
Een slang lachte haar gifklieren bloot,
het fatum der Romeinen was geboren.

-II-

Kemmelberg, Gent-Wevelgem 8 april 1998
Die dag splijt de renner zoals nooit voorheen
met een demarrage de Kemmelberg in twee,
een moderne Mozes die op weg naar Wevelgem en
het Beloofde Land de Rode Zee doet wijken.
Ik kijk toe, beef en bewonder, de rechtopstaande haren.

De soldaten van de Grote Oorlog kijken
hun gestolde ogen uit op zoveel souplesse en geweld,
de renner glanst in zijn getaand en gevleugeld vel,
de kasseien masseren zijn dijen, de kuiten dansen
hun dodende cadans, tegenstrevers tuimelen
als aangeschoten wild op de grond waarin soldaten
voor eeuwig rusten en 's nachts in koor kermen
om wat ze zijn verloren: hun bloed, een bed, een vrouw.

De witstenen engel op de top zwaait hen lof toe
zoals hij dat al zo lang doet voor de Franse poilus
die in hun massagraf uit meer dan 5000 weggerotte kelen
de reutel van vier lange jaren oorlog ophoesten.
De sierlijke renner die vergeet mens te zijn rijdt
voorbij en zweeft, zweeft............

-III-

Liège-Bastogne-Liège 1999
La Doyenne kreunt onder haar rijke geschiedenis
met hellingen die als dolle honden in de rennerskuiten bijten,
in Bastogne is de adem van von Rundstedt nooit ver weg,
in de sneeuw tekent hij soldaten die met een laatste danse macabre
hun dolle Fûhrer nog één keer doen huppelen en lachen,
een groot kind met bloed aan de duivelshanden.

La Redoute, gerenommeerd om zoveel venijn
dat uit het zwart asfalt en bars beton zijn weg vindt
naar de moe gevochten benen, de geknakte koppen.
Heel even denkt Michele Bartoli aartsengel te zijn
maar verslikt zich dan plots in een overdaad
aan tegenspartelende kamwielen,
zijn trots stort stuiterend te pletter
tegen die andere maar zegezekere engel
die met kalk tot god werd gebombardeerd,
het witte werk van supporters die door het dolle heen
hun klassiekers en Ikaros niet kennen.

Frank kromt de rug, strekt de vleugels en
wiegt naar Saint Nicolas die evenwel vergeet
dat hij in Luik een aardse helling is die lekkers
naar de winnaar gooit.
Wie stout is krijgt de roe.

-IV-

Sarah in Avila, Vuelta 1999
Sarah ziet hoe een opzichtig geblondeerde snaak
in Cofidistrui langs de kantelen van de stadsmuren flitst,
op de 87 torens blazen herauten de vergankelijke roem
naar een ongekende hoogte, reporters schreeuwen in extase,
Frank kijkt om en weet dat hij het paradijs betreden zal,
zijn ultiem verhaal van duizend en één nacht.
De Italiaanse schone blikt beschaamd, prinses Diana gelijk,
haar decolleté evenwel verraadt een grage afgrond.

Het volk huilt zoals in het Colosseum,
opgehitste stemmen ratelen de zwoele lucht aan flarden,
een drinkbus biedt slechts kort en mierzoet soelaas.
Die avond voelen de borsten van de mooie jonge vrouw
hoe zacht de handen van de winnaar kunnen zijn en
hoe triomfantelijk de doorbloede roes van zijn lichaam,
in de verte naderen de in lila gehulde Eros en Thanatos,
een heilig verbond, triomf van de vergankelijkheid.

 -V-

Zaffelare of all places, 22 januari 2008
Renners zijn voorbijflitsende sandwichmen, samen geklutst
in een mengkroes van ratelende derailleurs en massageolie,
je ziet ze en ze verdwijnen meteen daarna uit het zicht,
zo ook Frank, de snelle dolle jongen
met zijn aureool van duivels sacraal koersen,
a man for all seasons met beperkte houdbaarheid.

Het is winter en Zaffelare ligt duister en nat
rond zijn spitse kerk naar adem te happen,
Holland en Zeeland zijn dichtbij en
weten niet van dit Belgisch spektakelstuk.
Die avond verstopt Christus zich in het tabernakel en
ziet hoe een nieuwe jonge god waarop al sleet zit
in maagdelijk witte Mitsubishi-trui alle aandacht
naar zich toetrekt. Zo ook die van mij,
gek als ik ben van de koers en haar zondaars.

Frank heerst wankel en nerveus in het sjiek kasteel waar
zijn nieuwe ploeg met veel hoempapa wordt voorgesteld,
hij draaft driftig heen en weer voor hij op de bühne moet.
Ik zeg dat ik 'poète' ben en hij 'Ah bon',
we praten over de koetjes en kalfjes die zeer zeker
in het nieuwe seizoen zullen geboren worden,
ik neem hem bij de linker schouder en we staren
in de lens die deze momentopname  in leven houden zal.
Dat seizoen werd het nog maar eens niets,
er blijft alleen die foto waarin de hoop verpakt zit
van iets dat niet zou komen, dode relikwie. 

-VI-

Senegal, 12 oktober 2009
De man met de zeis koerste al altijd aan zijn zij,
een tandem van de dood, een ravijn en diepzee
vol onpeilbaarheid en  gedrogeerde monsters.
Het duister Afrika met zijn heet en glanzend vel
dat aan een zwarte zon en schoenblink denken doet
zit als een slangenhuid gekneld om mooie vrouwen:
hier ligt de eindmeet van de laatste wedstrijd,
hier snuift Frank zoals een hengst een laatste maal
zijn longen vol. Dan valt het plafond, vat de nacht vuur.

Seynabou Diop, een exotische vrouwennaam die klauwend
in de overleden rug van Frank staat getatoeëerd,
deze verre vrouw voor een close avontuur,
haar roze lippen in een gezicht van warme steenkool.
Haar dijen en borsten dwingen de renner tot zijn laatste klim,
de Venusheuvel als een Ventoux van vernieling,
een Galibier die gal spuwt en zich daarna afsluit
voor duizend vragen: waar is het diamantje in zijn linkeroor,
heeft hij nog gesmeekt om moeder aan zijn zij ?

-VII-

Ploegsteert, het graf, de ouders, nu
Het dorp ademt de Bucolica van Vergilius,
een eenzaam schaap blaat de morgen open,
hier werd Winston Churchill in de Grote Oorlog
bevelhebber van de Royal Scots Fusiliers en
toonde hij daarna met oer-Brits flegma zijn moed.
In de witte schaduw van het Memorial wordt aan
11000 Britse soldaten een onbekend graf geschonken.

Frank rust er in zijn druk bezochte tombe,
alom de koude kitsch van drinkbussen.
Stil hoort hij hoe Wannes Cappelle hem bezingt
met warme woorden die de keel dichtknijpen,
ziet hij Baudelaire passeren met zijn Fleurs du mal
die zijn omgevormd tot een zegeruiker zwarte rozen.
In het stilgevallen huis treuren Chantal en Jean Jacques
om wat in flarden overblijft van hun gevallen zoon,
zij zijn het treurend ouderpaar van de wielerwereld,
hun verdriet is als dat van Käthe Kolwitz in Vladslo,
de tranen voor dode kinderen kennen geen grens, geen land.

Ik sluit de ouders in mijn warmste armen en zeg:
'Koester Frank tot hij zijn graf ontvlucht,
gun hem dan de warmte van een bed en
laat hem rusten, rusten
.'


Willie Verhegghe

Et tu, Brute

of het verraad en de hypocrisie rond Lance Armstrong

" He won seven Tours de France and, as far as I 'm concerned, he 's still the rightful winner. I don 't understand what they are doing to him now because all the rest were the same. He brought more positive things to the sport than negative.  I still think it 's a case of  'If you test positive, you test positive'. But if you don 't, I don 't want to hear about it 10 years later. Come on....that 's ridiculous !".
Hendrik Redant in Procycling, november 2012


1/ INTROÏTUS

Ik zie het nog haarscherp, Fiorenzo Magni
die anno 1951 door mijn geboortedorp stormt,
een Ronde van Vlaanderen met ijskoude regen
en een kalende Italiaan die zoals Julius Caesar
- maar dan ruim na Christus -
zegevierend door het land der Belgen koerst.
Wat later in dezelfde grauwe jaren vijftig
mijn Brabantse grootvader Jan-Baptist zaliger,
ooit bijna door de moffen geëxecuteerd
- Luger-revolver tegen de koppige kop -
omdat hij in het werkkamp een stoute mond opzette
en opkwam voor de zwakken in zijn barak.
Maar anders o zo zacht, die warme grootvader,
hij weende zelfs toen een Belg een Tourrit won en
de namen van Ockers, Van Steenbergen of  De Bruyne
met tremolo's uit de bakelieten radio kwamen gerold.
Ik was klein en dacht dat tranen en treurnis
bij de koers hoorden. En bij een overwinning.
Ik volgde grootvader. En weende ook.

2/ DE PIJLEN VAN AMOR

Liefde voor de koers bestaat, leeft in de aders,
maakt dat je nieuwe agenda meteen vol staat
met zeer belangrijke datums, koersdata.
De glanzende frames, de geur van massageolie,
het zalig tikken van ketting en derailleur.
En de renners zelf natuurlijk: de  sterke koppen,
het geronnen bloed op hun ellebogen en knieën,
het zweet dat door de verschroeiende zon
als inkt in hun armen en benen wordt geëtst,
de kou die hun ogen ongenadig dicht duwt.
Nooit wou of wil ik die liefde verliezen
of ze ontrouw inruilen voor een realiteit
die niet aan mij is besteed: combines en doping,
ik kende ze, wist dat ze woekerden als distels.
Maar liefde stort in als een kaartenhuisje
wanneer je te veel naar gebreken kijkt.
Ik gun mezelf  koers als ouderwetse romantiek
en laat het koerskaartenhuisje staan,
weet me gewiegd tussen worstenhelmen
en de verdovende geur van versgelijmde tubes.
Keats nog voor de vélocipède op een koersfiets.

3/KANKER I  - MIGUEL

Hij was net als ik gek van de koers en amper zes
toen hij op zijn blauw fietsje samen met mij zwierig
als een zwaluw de helling van ons dorp opfietste:
de Pollareberg, maximale stijging 10%.
Zijn pezige beentjes, het onmiskenbaar karakter
in de kwieke ogen van zijn kinderkopje.
Miguel, mijn kleine aartsengel van wie toen
hij pas negen was kanker de vleugels knipte.
Wanneer hij, één jaar later, als een Auschwitz-kind
aan tumoren en het gif van Zyklon B-chemo
ten onder ging, had zijn idool Bernard Hinault
in Roubaix met panache de helleklassieker gewonnen.
Bernard in de hemel, Miguel naar het inferno.

4/KANKER II - LANCE

De littekens op zijn kale kop, de dood die
in zijn doffe ogen stond, de pijn en grauwe kleuren,
zijn regenboogtrui uitgerafeld in grijze stroken:
Lance ziet zijn familienaam verkracht, ontkracht.
Ik lees en zie zijn Golgotha, leef met hem mee,
weet dat zijn lichaam met scalpels werd doorkerfd:
Miguel keert sterk terug in deze gevelde krijger.
De grote Merckx vliegt als steun naar Austin,
het bekakte Cofidis zet Armstrong aan de deur,
een kille liquidatie op de kap van kanker:
solidarité à la Française, n' est ce pas,
de pot op met égalité en fraternité.

5/ INTERMEZZO

Het Pantheon der grote kampioenen, met Coppi,
Anquetil en de o zo mooie mens Briek Schotte,
om een paar gouden namen te noemen.
Ze schitteren als sterren aan een heldere hemel,
staan op het podium van de eeuwige roem.
Hun bloed kan niet meer worden getest,
voor hen geen misplaatst tribunaal van Nürnberg,
hun hoofden rusten in witte satijnen kussens,
zij slapen de verdiende slaap der gelukzaligen.
Of moeten wij hun rust overhoop halen,
hun graf en kisten respectloos openbreken,
hun palmares als ordinair papier versnipperen ?
En wie is gebaat bij het herschrijven van geschiedenis ?

6/ RENAISSANCE 1999

De Texaan is als een feniks uit de dood verrezen,
de kranten koppen eindeloos zijn naam,
vanuit het zomers la douce France
gaan foto's van hem wild de wereld rond,
het geel van zijn trui wordt glanzend goud.
Voor de start van een Pyreneeënrit sta ik
met mijn Canon pal voor hem, zalige sluiterklik.
The Boss straalt. Ik druk hem de hand, meer niet,
de herboren champ flitst als een ster van me weg,
daarna adelaar hoog in de staalblauwe lucht.
De pers put zich uit in eindeloze laudatio's.
Hier en daar al een adder onder het gras.

7/ LAST TANGO IN PARIS

Morzine, Franse Alpen, 11 juni 2005:
mijn Broken English hinkt Faithfull achterna
wanneer ik toch wat nerveus met Lance praat
in een hotel dat naar versgezaagd hout ruikt en
naar het zweet van de Dauphiné Libéré.
Hij grapt, neen, spot met Sheryl en Johan
die onopvallend in dezelfde kamer zijn maar
hij wordt plots heel erg stil wanneer Miguel en
 zijn lijden over mijn aarzelende lippen komen.
Weg branie, weg stoute luide stem.
We pakken mekaar bij de schouder,
Guy, mijn fietsmaat, neemt met trillende handen
een foto. Die mislukt, zo blijkt achteraf.
Maar Johan springt fotografisch in de dans.
En met succes, nu gestolde herinnering.
Een paar weken daarna in Parijs de laatste triomf,
met een pers die al voor een deel haar jas heeft gekeerd:
geen unisono bewonderende woorden meer,
de te hoge boom vangt te veel wind,
Lance was te veel Boss met het sterke hart
op de stoute tong, soms zelfs klein klootzakje
die door niets of niemand klein te krijgen was.
Of toch voorlopig niet.

8/ COL DE JOUX PLANE

The day after, 12  juni 2005, vroeg uit bed want
l' Alpe d' Huez en Galibier wachten  op mijn oude knoken.
In ochtendnevel en mist verlaat ik het slapende Morzine,
het skidorp droomt zijn sneeuwloze dagen bloot
als ik de col de Joux Plane naar beneden rijd,
een afdaling hors categorie op de nuchtere maag.
In een bocht plots een verdwaalde en klimmende kopie
van de eenzame fietser van Boudewijn De Groot,
ik herken de man van wie ik een paar uur eerder
de stalen Texaanse schouders heb gevoeld.
Hij kijkt niet op, duwt de col en danseuse en met
een hoogritmisch soepele pedaaltred van zich af,
hij wil en zal er staan, in de naderende Tour.
Ikzelf  sta sprakeloos bij zoveel eenzaam labeur.
En denk aan zijn stil en anoniem gezwoeg
op desolate en verhitte Amerikanse cols om
na chemo en scalpel terug te keren aan de top.
Een eenzaam weeskind op een bergflank.
In Morzine, Hotel Le Crêt, slapen zijn ploegmaats.
Nog.

9/ LUGANO

Tour de Suisse, juni 2010, het Meer van Lugano.
Aan dat glashelder maar koud rijkemensenwater
kijk ik met gelegenheidsploegmaat Mart naar Lance
die zich opwarmt in rood RadioShack-shirt.
Noordelijke bewondering door mannen van het woord.
Straks volgt zijn laatste Tour van val en verval.
Ver weg, over de Grote Plas, brengen beulen
met koude blik de elektrische stoel in gereedheid,
een Franse guillotine wordt in reserve gehouden,
de hamburgerdikke Lemond kijkt lachend toe,
die koerste in zijn tijd uiteraard  zuiver als bronwater,
anders win je geen drie keer de loodzware Tour.
In schijnbaar dopingloze tijden.
Ook Lance liep nooit tegen de lamp.
Of ze hebben hem op zijn minst nooit betrapt.
Armstrong 7- Lemond 3 dus.
Deze laatste met jagerslood in het lijf, dat wel.
Om de hoek loert de testosteronstijve Fluit Landis,
een godsdienstfanaat en leugenaar pur sang.

10/ THE FINAL COUNTDOWN

Herfst 2012, het USADA als Groot-Inquisiteur,
the divided and United  States of America
verminken graag en veelvuldig hun helden.
Het hoogverraad van de gewezen ploegmaats,
van die omvang nooit gezien in de sportwereld  :
'Et tu, Brute', Lance gebruikt de woorden van Caesar
en voelt de dolken in zijn rug. Revival van een kanker
die geen schaamte, grenzen of scrupules kent.
In de Tour zit ik in Toulouse aan het ontbijt
met George Hincapie, tristesse in zijn ogen,
ook hij praatte Lance aan de galg maar verklaart
in één adem dat hij een groot kampioen is en blijft.
Slaan en zalven in de mond van 'n halve Indiaan,
spijtoptant die zijn eigen verraad veracht.
Kranten en luidsprekers spuwen uitsluitend gif,
journalisten rekenen ongenadig af.
Want: Sie haben es natürlich nicht gewusst,
de struisvogelpolitiek is plots onbestaande of vergeten.
De angelieke mevrouw Andreu zegt dat Lance
een duivel is, zuivere zieltjes, hypocrisie en
loepzuivere wraak vieren alom hoogtij.
Ik, groot zondaar, werp de laatste steen.
Dus geen. Er is gewoon geen laatste steen.

11/ EPILOOG

Brandstapels, galgen, guillotines, elektrische stoelen,
vuurpelotons, radbrakend tuig en gifspuiten :
alles is goed om een wereldse god klein te krijgen.
Maar de god doet vooralsnog alsof zijn neus bloedt,
ligt languit en uitdagend op de sofa, keurig omringd
door zeven met zweet en bloed verdiende truien.
Tegen de kou. Winter in zijn hoofd, ijs op de lippen,
de benen door schorsing en verbod verlamd,
zelfs Livestrong, zijn kankerhelend kind,
heeft hem met zachte hand aan de deur gezet,
wereldwijd treuren miljoenen radeloze patiënten
die hun voorbeeld evenwel niet laten vallen.
Trouw tot de dood hen scheidt en weer verenigt.
Ik draag fier en voor altijd geel om de pols.
Pillen, spuiten, baxters, pleisters,het wonder epo,
tot zelfs een mysterieuze motorman:
ze waren er, zijn er, zullen er altijd zijn.
En voor ik het vergeet en last but no least:
zoals ieder normaal mens ben ik tegen doping.
Maar nog meer tegen hypocriete kloten.
Als Pantani maar geen tweede keer sterft.


Willie Verhegghe

Keienkoersen

dat wielen over keien dokkeren
je kent het geluid van eigen banden
elke keer door een gleuf op de rand

van evenwicht je verliest of wint
per seconde wel honderd keer

maar de echte knoesten duiken kunstig
op de groeven van de weg met snelheid
lef en ware doodsverachting

de duivels van de kasseien tekenen
hun harde stenen dijen kronkelend
subliem in stijl onbeheersbare hartstocht

in een altijd gespierd wezen met aanslag
op de polsen of gebroken sleutelbeen
maar blijven bonken naar die eindstreep is

de maat van alle dingen


Kees van Meel

Cursus Flandriae

Ronde van Vlaanderen

Het is de renners in de bol geslagen
om nooit, in rot na rot door weer en wind,
de horigen van het gebroken lint,
om kinderkop of tegenwind te klagen. 

De storm stuift op vanachter meidoornhagen
en scherpe hagel vindt de weekste prooi
en in dit snertweer van het laagst allooi 
moet men ten dode toe het leven wagen. 

De Berendries, verketterd en vervloekt,
duikt bonkig op en alle ruggen rekken; 
tot in de holte van het lijf gehoekt 

vermannen zich de doorgedraaide gekken. 
De lauwerkrans - voor wie de zege boekt –
zal ziel en lijf tot eer en weelde strekken.


Frans Hoppenbrouwers

Kemmelberg

Om de droom tot daad te klaren
spanden we de kuiten en gingen die dag
het vertrouwde vlakke land en onze krachten
te buiten. Om op een blauwe Bertin-fiets
de hemel te bestormen.

Tussen droom en daad
lag de Kemmelberg, die uitpuilende
steenpuist, ver weg aan de horizon.
We waren veertien en overmoedig, maar
zonder twijfel op weg naar het hoogst bereikbare.

Na de daad droomden we
van Tourmalet en Peyresourde, weliswaar
al wat ijl in het hoofd. En dus verdoofd en loom,
van het teveel aan lood in de benen
voor de lange weg terug naar huis.


Patrick Cornillie

De knecht

Hij pompte met zijn knechtenhart
de kilometers onder zijn wielen weg
dubbele klei knotste zijn knieën

de Vuurbal uit De Fendert stampend
en wroetend geen sprint in de kuiten
geen bergrit ook dan buiten de limiet

waar de teller voor broer een ogenblik
stil stond deed de zijne dat niet

was hij telkens locomotief in het peloton
met soms wat slagroom op zijn brood

gespoten


Kees van Meel

Kleine ode aan Sanne

meisjesachtig nog haar aangezicht
bijna verlegen om haar kracht
die komt uit onderrug en dijen
en niets heeft van een man

een karaktervrouwtje dat doorzet
geen tegenslag brengt haar van slag
en slim zoals ze bij een fietswissel
geen seconde verliest

technisch een crack: zelden
schuift ze uit of mist een bocht:
zij wordt het voorbeeld
dat het volkje zocht

het lijkt erop of de eindmeet
haar aanzuigt ondanks de blubber
en het klimmen en dan het podium
waarop ze als een kind staat te glimmen


Staf de Wilde

Ode aan de winter van Jan Ullrich

Ach, hoe fijn lijkt het mij
Om na een jaar van zwoegen
Fiets weg en vrouw erbij
Een vet wild zwijn te proeven


Martijn Veltkamp

De Ronde van Vlaanderen in Meerbeke

-denkend aan Edgard de Caluwé, winnaar in 1938
(°Denderwindeke/Ninove 1913-+Geraardsbergen 1985)-

Wit en waakzaam wacht de eindmeet op
wat komen gaat: een eeuwenoud spektakel
dat aan Rome en zijn Colosseum denken doet,
de gladiatoren van de weg in hippe kleuren,
een bruisend sculptuur van keizerskoppen
getooid met in de strijd gedeukte helmen.

Hier slaat de winnaar als een albatros
zijn vleugels uit, hier heerst de daver
van de dag waarop stad en dorp nederig
de hoge hoofden van hun torens buigen
voor wat getaande mannen met hun dijen
tot een feest van kracht en spieren maken.

En het volk: het kijkt gespannen toe
en schreeuwt de namen van zijn goden.
De glans der fietsen meet zich met de zon,
zweet spat op het ruw asfalt uiteen en
uit een woud van wielen schiet hij die
triomfeert en voor eeuwig roem verwerft.



De aankomstlijn van de internationaal gereputeerde wielerklassieker 'De Ronde van Vlaanderen' lag tussen 1973 en 2011 in de schaduw van de prachtig gerestaureerde Sint Pieters- en Berlindiskerk op de Halsesteenweg in Meerbeke.

Richard Bukacki

Bij de profs won hij in Opstal,
Melle, Laarne, Knesselare en meer
van die fraaie dorpen,

op de erelijsten van Gullegem
Koerse, de GP Raf Jonckheere
en de Memorial Fred De Bruyne
staat hij te pronken

tussen Marcel Kint, Rik van Looy,
Gilbert Desmet, Franco Bitossi,
Peter van Petegem, Philippe Gilbert
en Greg van Avermaet:

geef hem kermis, geef hem koers
en Bukacki wint de sprint
tegen Sels, van Linden, Karstens
en de Planckaert-broers


Miel Vanstreels

De dichter dicht door

Op weg door het bos vol doornen,
rijdend langs het ravijn van de stille dood,
heeft de renner opnieuw een bocht gemist,
is hij verdwenen in een diepe kloof
waaruit niemand hem ooit heeft opgevist.

Ze hebben hem gevonden op het bed
van een hotel, in een vreemd land,
achtergelaten door een vrouw voor even
die zijn wielerleven voorgoedf heeft
uitgewist met zijn toekomst in haar hand.

Maar de bron van de dichter staat nooit
droog, zolang hij kan dichten over levende
legendes die sterven in vergankelijkheid
en over naamloze knechten die hij laat
opstaan uit violente dood en blijven
leven zo lang de dichter wordt gelezen.

Harmen Malderik

St Pieters-Lille, 15 maart 1971

(over wijlen Jempi Monseré)

Omdat je dacht dat het leven een succesverhaal was.
In korte broek nog, dwepend met een lachende engel
die in Leicester zegevierend over de streep reed.
Een bengel, zo sierlijk en zo soepel, een god op de fiets. 

Omdat je, in een roes van devotie en emotie, geloofde
in een onsterfelijke kampioen die won en won en won.
Tot je, niet eens zeven maanden later, de foto zag
in de krant. Een renner in regenboogtrui, koud

op het koude beton. En je plots besefte: na dit alles
volgt nooit nog iets. Blijft dood onherroepelijk dood.
Languit en vleugellam, een streepje bloed langs de wang.
Nooit kleurde een zwart-witfoto zo rood.


Patrick Cornillie

Demasqué

de dagen harden uit als gietsels
in een mal van toen je nog droomde
over de maan op de Mont Ventoux 
de koers naar het hoogste ideaal

en nu
driehoog ingemetseld tussen kale muren 

˂ze gaan voor zaaien van steen tuintegeltaks heffen˃

je zwijgt
wie zal beslissen hoe ze de oogst gaan tellen?

˂ze willen de rammelborden terug, de luxaflex
van de vertraging en het wegklepperen
van de zojuist vertrokken trein˃

je zwijgt
wie zal beslissen wie gaat wat bedienen?  

buiten elke schijnwerper ben je, te licht bevonden  
terwijl andere machtigen zichzelf verzwaren in brons 
je ziet beneden een man op het dode paard,
rug recht, fier in een pose die jij niet volhoudt

je zwijgt
wie bepaalt eigenlijk hoe hoog een voetstuk wordt?

je ruikt bloed, je proeft
het ravijn, de moraal om uit het raam te springen
alsnog op weg naar de Ventoux
maar toch

het is de week van het tandeloos verzet


Bert Struyvé

Tom Dumoulin en Mathieu Van der Poel

De een davert over geasfalteerde wegen naar records
trekt een serieus smoel gaat door rijen fanatiekelingen
wordt kampioen voor een miljoen en sporter van het jaar
hij grijnst en gromt soms naar de massa maar behoudt humeur

de ander duwt de bossen uiteen sleurt daar modder mee
zijn shirt lijkt op kalvermest uiteen gespatte aarde
derailleurs naar de klote en zand tussen tandwielen
hij knarst en knerpt de woorden als losse kiezels rond

samen vallen ze - twee kampioenen op vier bandjes
slijk of zand beton of gravel teer of keien - altijd op
ze malen hun machtige dijen rond hun eigen middelpunt

achter hun kont is het niet goed toeven voor de rest
hun zichtlijn wordt beperkt door deze helden
waar het volk dweept en dwaast rond hun idool

een val meer of minder een onverwachte stop of knie
geeft even schrik en verder maar weer kilometers maken
voor eeuwig vastgelegd als relikwie voor later

de een mooi in modder onderweg de ander prettig in pak geëerd
leven beiden in hun eigen wieleruniversum voort


Kees van Meel

Kleine ballade

Mensen die fietsen
alsof ze langzaam sterven.
Achter zulke mensen fietsen
in een smalle of drukke straat.
Het lukt je niet ze in te halen.
Je ziet hun achterste.
Wat een gedoe, denk je,
ze sterven.


Jan Glas

Opvolging verzekerd

- voor Vic, Ferre en Arthur -

Kleinzonen blijven niet klein,
je ziet ze groeien als kool, ze zitten je speels
op de steeds tragere hielen en rijden je
met panache en jeugdige grinta uit de wielen.

Zoals dat bij de meeste jongens het geval is
gaat de voorkeur eerst uit naar voetballen en
komt de liefde voor de fiets pas later.

Maar eens de derailleur in de prille kopjes
zijn verslavend tikkend werk doet kan het rijden
met een heuse koersfiets niet meer stuk en
vormen afstanden of het tegen hellingen opspurten
geen probleem meer, wordt zelfs de outfit
van blitse brillen en kleurrijke truitjes
met smaak en een eigentijdse look verzorgd.

Zo kijk ik nu naar de drie jongens die ooit
wellicht nostalgisch zullen denken aan hun opa
die zot was van de koers en van wie ze hopen dat hij
nog ergens in de wolken zalig aan het fietsen is.


Willie Verhegghe

Dolomieten

We fietsen door de Dolomieten.
Samen ….., zij en ik.
Sella, Pordoi, Campolongo.

Thuis zijn de buitenkleuren
gewassen in een schep wit.
Hier zijn de wilgenroosjes bloedrood,
de koekoeksbloemen deep purple.
De heksen vliegen hier
op 't blauwste blauw
van de monnikskap.

De lucht is dun.
Zij flirt met de wind,
de sinus van de berg
en de liefde van de aarde.
Ik trek mijn fiets uit elkaar
en mijmer tandjes.
Tandjes des tijds.


Harry Oonk

Overwinteren

nu de herfst
van de fiets valt
het haar de ruimte
krijgt te krullen
valt alles
op de juiste plek

de laatste renner
die over de heuvels trekt
de allerlaatste die remt
nog voor vertrek

de sensatie van meeuwen
die op het vlakke krijsen
met duikende waaiers
op de kant gezet

vlagen storm stapelen blad 
sporen modder stagneren
mist kent niet elke weg

naar onzichtbare verten
naar vergrijsde reflectie
de tijd die tot rust maant

dan dooft de zomer
zoekt een wielewaal
de overdracht
voor een warme vlucht


Bert Struyvé

Mario Aerts, Lotto

“Zesmaal gegokt, zesmaal
verloren. De gezegende omstandigheden
van de winnaar, die onthoudt men allemaal.
Jaja, ik ben toch tevreden.

Men zegt dat ik charmeer, want
ik trap rond zoals een lottobal; in
mijn dromen is het dat ik vierkant
maal, maar vele malen win.

Daar en dan eet ik mijn pasta op en sla
mijn tegenstanders murw. En tel goddank,
terwijl ik door de pijngrens ga,
als SuperMario, de nullen op mijn bank.

Nee, ik rijd me niet graag het snot
voor de ogen. Ik speculeer
op goed geluk. Dat is mijn lot.
Ik gok, ik val er liever niet bij neer...”


Frank Pollet

Gebypasst

(Oei)

Ik moet een toontje
lager fietsen – heuvelop
knijpt er iets om lucht

(In staat van geluk)

Gedotterd en wel
terug in het heuvelland –
vrolijk pompend hart

(Op herhaling)

Opnieuw een kransader
van slag – ik meld 't knellen
met pijn in het hart

(Gerepareerd)

Omgeleid geluk –
met een bypassend verhaal
weer de heuvels in

(Col d'Allos)

In een zielstrelend
decor klim ik gebypasst
rustig naar de top


California dreamin'

L.A., 20 mei 2012 | ronde van Californië

Mien Zabriskie punten vast 'eholden.
Mount Baldy, miek mien peute baldaodeg;
ònder de top demarreren.
David, Tejay 'k zal ze leren!
't Gif 'n supergevuul, ..

Ik bun d'r nog neet helemaols klaor met
Maor toch, ...
'tWerd jao ok haost tied um te winnen.

Van 'on such a winter's day'
töt 'on a winners day'.


Gevonden op een kladje
somewhere in L.A.
Toegedicht aan Robert Gesink.


Mathieu van der Poel

Genetisch lag zijn toekomst nogal voor de hand,
hij en zijn broer zijn op een driewieler geboren.
Pa Adrie won liefst zes klassiekers, goudomrand.
Verdiende tevens in het veldrijden zijn sporen.

De Franse opa van Mathieu was ook coureur:
‘Poupou’ is drie maal tweede in de Tour geworden.
Zo raakte kleine Thieu geboeid door de grandeur
en hardheid van de wielersport. Vond hij in orde.

Dus gaat hij veldrijden zodra hij veertien is,
en na een jaar wint hij met voorsprong al zijn ritten.
Ook ’s zomers op de weg toont hij gelijkenis
met pa, want hij blijkt allround aanleg te bezitten.

Op elk parcours gaat hij meteen zeer snel van start
om zo zijn tegenstanders onder druk te zetten.
Zijn stuur- en remtechniek zijn een talent apart –
met balken, steiltes, bochten maakt hij korte metten.

Hij heeft zich van zijn generatie losgemaakt:
van de beloften is hij naar de profs gesprongen.
Gewoon omdat succes naar meer en groter smaakt
en hij vertrouwt op eigen kracht in lijf en longen.

Mentaal is ‘ons’ Mathieu ook uiterst ongenaakbaar,
dat hij nu WK-favoriet is doet hem niets.
Hij trekt zijn plan en is ’t parcours straks onbegaanbaar,
is hij het die het langst blijft zitten op zijn fiets.


Theun de Winter

Er is maar één Keizer

dat u zo weelderig in mij
aanwezig bent: wij lazen
thuis het Frut, op de talloze
sportbladzijden bijna dagelijks
uw heldendaden en zo werd u
mijn Grote Leider

ik was een kind en maakte het mee
hoe een jongen uit Grobbendonk
die kranten bezorgde over kasseien
Keizer werd in Herentals

en ja, later kwam de Kannibaal
met meer fond dan u ooit bezeten had
maar mijn devies stond al vast:
een Grote moet ook kunnen verliezen

ik las over uw vermetelheid,
getuige Labieke Sorgeloos:
‘het kriebelt in mijn benen,
ik moet weg uit het peloton’

en u sprong en zelfs wanneer u
werd bijgehaald, hoorde ik de bronzen
gong bij de aankomst van een Keizer –
men zei: hij schept graag op, maar ik vond
de anderen lijzig, al wie bleef in het wiel

daarom zal ik als een puber belijden
dit ongewoon geloof: die jongen
uit het dorpje Grobbendonk
werd mijn gedroomde Keizer

hij won en ik was een winnaar
hij viel en ik telde mijn wonden:
u blijft voor mij wonderbaar,
een voorbeeld naar ons uitgezonden


Staf de Wilde

Held van de dag

Het stille lijden van de vluchter kruipt
kronkelend door dromerige dorpen,
strekt zich druipend uit over natte weiden
en gluiperig asfalt naar de valse einder.

De weg vangt de lange adem van de renner
die tweehonderd kilometer lang mag wennen
aan zijn onvermijdelijke nederlaag -
het in zijn hoogmoed zelf gegraven graf.

Want daar verschijnt het computergestuurde
schuim op de bek van de gretige wolf die
hem in gestrekte draf nadert om hem levend
te verslinden - nee, nooit mag hij winnen.

Hij heeft zijn rol van verre vluchter,
verdronken in het genadeloze rekengeweld,
al zo vaak gespeeld dat hij zich niet eens
realiseert méér dan een tragische held te zijn.


Harmen Malderik

Colla della Stelvio

Mooie klim.
Mooie naam ook.
96 winkelhaken
48 beroemde bochten
16 paperclips.
Wat is het verzet?
Aah, te steil voor sommen.
Hersenen maken hier snot,
geen uitkomsten.
Het denken dooft.
Gedachten komen binnen
zonder kloppen.

Zij en ik,
we fietsen samen.

Zij zingt met de vogels.
Zij flirt met de geuren
en kleuren van de bergen.
De aarde bemint haar.
Haar lucht verdunt.
Zij speelt met de wind,
ik echter,
met de dood.


Harry Oonk

De renner

Zoals telkens opnieuw de renner sterft,
zo kan niemand sterven. Geknecht, geklit
tegen een verhitte bergwand lijdt hij, zwerft
nietsontziend zijn nietig en schriel silhouet.

Ook door vlakke landschappen ziet men hem rijden,
naar onbereikbare verre einders waarin hij opgaat.
En die als een film langs hem heen glijden:
nijdig de ongebreidelde kracht van zijn ultieme daad

tekenend of tollend omheen de ontregelde cadans
van zijn benen. Helemaal murw is hij vaak niet meer
dan het verlengde van zichzelf. En ziet hij keer

op keer af van dit aardse bestaan. Maar dan zo gedreven
dat het lijkt alsof doodgaan zijn laatste kans
is. Een dans omheen de leegte van het volle leven.


Patrick Cornillie

St-Raphaël, apéritif de France

(Jacques Anquetil indachtig)

Als tegen de onverbiddelijke tijd wordt gefietst
denk ik altijd weemoedig aan de limousine
van deze specialiteit, Jacques Anquetil,
monsieur chrono, Normandiër en seigneur,
nooit zat iemand stijlvoller op de fiets.

Tijdens de Tour drink ik om hem te gedenken
elke zonnebloemgele dag in pure retrostijl
mijn glaasje St-Raphaël, maître Jacques koerste ooit
met de naam van deze bloedrode drank op de trui.
Al paste zijn nobele standing beslist beter
bij champagnebubbels of een dure wijn.

‘St-Raphaël, apéritif de France depuis 1830,
recette du docteur Juppet’, eigenlijk ‘n drankje
voor vrouwen op leeftijd met kilo’s mascara
en opzichtige halssnoeren als rimpelcamouflage.
Of de dichter een Tour lang vermomd als oude vrijster.


Willie Verhegghe

Soigneur

(voor Dirk Nachtergaele)

Al zowat zijn hele halve leven staat hij
bij de aankomst renners op te wachten,
trekt ze over de streep en droge truien aan.
Later gaan ze vermoeid en uitgewoond
languit voor hem neer en uit de kleren.

Hij kneedt en knijpt, pakt hun lichaam
als een kunstwerk uit. Aderwerk, gebeiteld
op de benen. Masseren, zegt hij, is kijken
met je handen. Van spieren lees je af
wat geen stem kan zeggen. Hij knipoogt

en maakt zich sterk dat hij straks
een ander wordt. Soigneur wordt seigneur,
meegestuurd in de ontsnapping van de dag,

in de vroege vlucht vooruit van het gedicht
dat hem na al die tijd als in een tweet
van niks weet op te schrijven.


Paul Rigolle

El Angliru 1998

Aan een dun touw snokt Pavel Tonkov
zich omhoog, langs de afgrond van het ravijn
door een haag van mist en miezerregen
onder een grijze lucht die tegen het asfalt drukt.

Zijn shirt kleeft aan mijn rug. Ik proef de zure smaak
van braaksel. Mijn benen zijn als lood. Mijn slapen
staan op springen. Schimmen aan de muur.
Monden schreeuwen taal die geen houvast biedt.

Beneden mij loert het gevaar. Hoe ik ook vloek
en bid of liedjes zing, bij iedere trap trek ik
het aan, bij elke ruk aan het stuur. Ik die weet
van tijd noch uur, knijp de lippen op elkaar.

Vlak voor de meet duikt hij uit de nevel op,
tikt mij even aan. Geroerd houd ik de trappers
stil. Een stalen stem balkt vanaf een leeg bordes
zijn zoete naam: José Maria Jiménez.


Albert Megens

Wonderbaarlijke wederopstanding

(0ver Annemiek van Vleuten)

een dood vogeltje in de goot opgebaard bijna
in vormloze greppelstand net voor de finish

ze was bijna op de Olympus huis der goden beland
een val sleepte haar naar de oevers van de Styx

maar geen muntjes op haar oogleden gelegd
de geest bleef in haar gekreukeld lijf te gast

meedogenloos gefilmd als weggegooid behang
een deur naar roem te ver vergooid in riool

water stroomde naar haar zee en ze steeg op
wonderbaarlijk in onnavolgbare strijd terug

aan wielerfront met zegekar en bekers roem
een zege bij Hotel de Wereld geen overgave

uit de historie  van de vijand voor haar maar
victorie in optima forma als tempobeul in het vrouwenpeloton


Kees van Meel

Alberto Contador

Boekhouder, bijna moet ik schrijven:
‘jij was’ met nadruk op het einde –
in mijn ogen blijf je een man van eer
die een col beklom als een berggeit,
een springveer en steeds al staande:
hoe hield je zoiets vol?

het temperament is er nog, gelukkig
want zonder jou dommelden we weg:
jij de vechtlust zelve, de aanvalsdrift
in persoon

nu denk ik aan de hoon die jou
te beurt viel bij jouw ‘cero cero cero cinco’
ik zal niet zweren op een bijbel
maar wel op de wetenschap
en die zei dat in die dosis het spul niet werkt

toch hebben de bonzen jou een Giro
en een Tour afgenomen: louter machtsmisbruik,
wraak op de berggems die verblindend mooi
op kon stijgen, jij de gezwinde elegantie

nog probeer je en het lukt niet meer:
je wordt geen punt dat bocht na bocht verdwijnt
El Pistolero heeft één kogel nog
maar onvoldoende om het vol te houden

Boekhouder is jouw naam doch zo reed je
in geen geval en weet je: wij missen jou
nu al, het beeld dat staat op de trappers
en zich verwijdert tot een punt

Staf de Wilde

Mijn kale kop

Drommen fietsers bevrijden zich
uit het klamme bos, in bonte
kleuren jagen ze op mijn kale kop.

Auto's en camara's volgen hen
op weg naar de verwezenlijking
van hun droom bij het ontwaken
voor mijn troon in de wolken.

Petrarca, Kal, zelfs Tim Krabbé
effenden het pad naar mij nog
heel alleen en lieten zich slechts
leiden door de stilte om hen heen.

Dus laat toch die camera van uw
Laura die het licht van uw ogen
langzaam doven ziet zoals eens
Tom Simpson voorgoed zijn ogen
sloot in de maanwoestijn van
zijn heldenmoed.

Laat u liever leiden door
bescheidenheid en kom tot
mij in nederigheid.


Harmen Malderik

Ode aan een Keizer

- leve Rik van Looy –

en zeggen dat hij een roker was
en aardig wat kon stoken: vandaag
moeten de geurigste kruiden in het vat,
je moet hem weer bewieroken

je neuriet een ode aan een Herentalse
Keizer, je hebt er nog wel foto’s van:
je staart ernaar, zoveel ouder
maar niet wijzer

je kent alleen meer woorden
zoals het geleerde ‘symbiose’
en zo was het toen, in jouw afgelegen
oord: jij had hem uitgekozen

omdat hij zijn rug kromde
en bijna in zijn stuur beet
toen de grote Rik van Steenbergen
hem meesleurde naar de meet

later keerden zich de feiten:
nooit meer bleef hij in het wiel;
men kan hem veel verwijten
maar Sturm und Drang had hij
in zijn ziel

en jij in jouw symbiose
jij stormde mee en verloor
en won ook wel maar vaker
ging zijn rijk teloor

grote kampioenen, ga je beweren,
moeten ook verliezers zijn:
in de nederlaag blijven ze heren
ondanks de treurnis en de pijn

een ode aan een Keizer van Herentals,
in Grobbendonk geboren: je weet niet
wat als – wat als hij uit je bestaan
ging verloren


Staf de Wilde

It beest

Uit het kleine Friese Molenend
Kwam een junior met veel talent
Op winnen had hij een abonnement
Hij was eraan gewend en stopte

De fiets werd daarom weggedaan
En ingeruild voor een nieuw bestaan
Vol met roken, zuipen en uitgaan
Waarin hij zich langzaamaan volpropte

Na zeven jaar vond Lieuwe ‘t genoeg
Na werk ging hij trainen en niet naar de kroeg
Al snel koerste Westra weer voor een ploeg
Waar-ie met veel gezwoeg beter ging rijden

In tweeduizend negen werd Lieuwe plots prof
’t Was na drie jaar dat hij zichzelf overtrof
De nuchtere Fries oogstte plots alle lof
Door in Parijs-Nice – hoe tof – mee te strijden

Ut Beest won zelfs een etappe bergop
Stond ook in het klassement in de top
Werd tweede en mocht dus het podium op
Om de Friese fietsfanatici te verblijden

(Lieuwe Westra: prof van 2009 tot 2016)


Daan Sindelka

Spetter

de wei oogt zomers
vei, een mazelbed
van boterbloemen

lucht diep liberaal
met tinten antraciet
een onweer dreigt

plots tussen veld en
einder een lint
van bonte truien

een peloton rupst
naderbij, maar wil
nog niet ontpoppen

’t is wachten wie zijn
kans waagt, het pak
in repen trekt

een koe graast zich
een malse weg
door groen en geel

voorlopig nog
geen spetter,
laat staan
iets te beleven
    
koe en renners
kauwen
nog stilte voor
de storm


Herman Laitem

Buiging

Soepele krachtpatser
Dylan de troonrivaal
Kroonde zichzelf  op
De Champs-Elisées

Dankzij een machtig en
Wereldverbijsterend
Sprintersduel tot
Een monstre sacré

Frits Criens

Croix de fer

En zo gebeurt het dat je op een dag
een man geworden bent die op een fiets
een berg bedwingt. De Col de la Croix-de-Fer 
is de naam. Water stroomt de helling af,
sneeuw glimt in de verte in de zon.

Het landschap beneemt de adem, slijpt zich
in de ogen vast, benevelt je als de gedachte
in een droom. Herauten als Ignolin en Camellini
zijn ons voorgegaan. Coppi en Bartali, ook zij
reden ooit de Barrage de Maison voorbij.

Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!
De weg die klimt sloopt wat je voor het laatst
had opgespaard. Het leven hier heeft aan zichzelf
genoeg. Een intens geluk is het om voor eeuwig
en een dag in dit decor een figurant te mogen zijn.


Paul Rigolle

Opwarmen voor de tijdrit

de zee is de waterdrager van het klimaat
verwerkt wattages in vierentwintig zeven

misschien overdrijft het
wanneer het brult als een verwend kind  
dat zich aan elk scherp randje verwondt
zand steelt gronden rondt
en bressen in kastelen slaat

misschien overdrijft de zee
als het de wereld aanzet tot een rondje zon
de zon de dagster die op witte vachten jaagt

de zee die tijd vindt om schuimig
voor een selfie te poseren
zoals het bij de Haagse School al deed

misschien overdrijft het
als het de maan slechts als getijslaaf ziet 

toch weet elke knecht
met vierentwintig zeven kom je er niet 


Bert Struyvé

Richie Porte

voetballers kermen, vervloeken
de goden bij de geringste fout
renners zijn gesneden
uit een harder hout – zij zeggen
vanuit een ziekenhuisbed:
‘ik heb nog geluk gehad’
en hun bekken is gebroken

we zagen hem plots links in het gras,
dwars over het baantje en tot slot
te pletter tegen een rots – zijn fiets
schoot in de afgrond dankzij
de perfect afgestelde klikpedalen

onbewogen lag hij daar te trots
om luid te janken, niet meer bij machte
een vuist te ballen naar het lot,
naar een god

renners spreken al van een terugkeer
in het peloton, ze vinden het jammer
voor hun ploeg die voorbeeldig werkte
en zie: de leider komt als een vriend
en wenst hem ontzet alle sterkte

een concurrent minder, zou je zeggen,
maar zo zien renners het niet:
zij leven van concurrentie, daarom
toont de leider zijn kameraadschap en verdriet


Staf de Wilde