De Tokio-koersen

Olympus

Huis van de Goden -
nergens biedt zilver of brons
zoveel trots & troost

Anna K

Pelotonfobisch
verzon zij een wiskundig
sprookje op de fiets

Annemiek

Mooiste podium
voor een goudeerlijk antwoord
van hoofdhartbenen

Die Tom

Hoe diep moet je gaan -
hij fietste ons en zichzelf
weer in vervoering




2 honden vechten...ect

Gouden huzarenstuk!
Outsider Carapaz
Pakte de worst in een
Sluw tactisch spel 

Koos voor de aanval met
Ecuadoranenmoed
Liet aan de topfavorieten
Het vel!
 



Een muur

je klimt blindelings tegen een blinde muur
een dwangbuis van slecht uitgevoerde betegeling 
het geeft aan dat de toekomst overbodig wordt
want voegen verschuiven niet, maar spoelen uit 

je klimt in het venijn van je eigen oneindigheid
houd de muur mij, zou ik misschien mogen leunen 
je hoofd expandeert, je ogen tranen dicht
niet van euforie, maar van het zweet en de frituur 

je klimt en je klimt, het leven houdt niet op
is dat de hemelpoort, een kapelletje, een wachthuisje 
van de beveiliging of wie weet van Petrus zelf

je klikt af en tikt verder te voet, de fiets als rollator
nu is het hoogtepunt geen keerpunt, je stapt weer op
je hoofd te licht en je daalt, weliswaar via de evenaar

maakt het de toekomst nog steeds overbodig 
nee nee, er is geen reden voor een tweede keer  


Tour de France

(vanuit Stein, Limburg)

ik kijk tv
groene dalen
zonnebloemvelden 
wijnrankenvelden
chateaus van naam met oude torens
St. Emilion en Pomerol
schuiven over mijn netvlies
ik steek mijn neus in het glas
ik herken ze niet
ik kijk tv
het volk staat in de bermen
en jubelt en juicht
de meet is van een solist
nog 48 uur en Parijs
is ingenomen
ik kijk tv
na de zenderswitch 
sta je in een ravage
nog steeds tot aan je middel in het water
koude door de oliebroek
verlangt naar melk en honing
het wast en wast
al uren en uren
het kolkt en beukt
tergt de dijken
neemt en ontwricht
ergens in de wanhoop
van de catastrofe ligt het begin
ik voel schaamte
mijn voeten zijn droog


Renner Conrad, dichter Conrad, beiden Patrick

Het is haast niet te geloven:
de ene is dichter en esthetisch absolute top,
buiten wat petanque in Provencaals platanenlommer
zie ik collega Patrick Conrad niet meteen sportief
uit zijn keurig gestileerde sloffen schieten,
zijn vriend Hugo Claus wist nog wat echt boksen was
maar deze Patrick is met voorsprong de Meester dandy
die ooit als getalenteerde Antwerpse elitaire snaak 
in de Rolls van mama zijn stad onveilig maakte en
zelfs de hemelse Charlotte Rampling regisseerde.

En dan komt daar sinds een paar jaar die andere Konrad
-weliswaar met 'K'- stevig koersfietsend aangereden,
wielerkampioen van jodelend Oostenrijk en
van circusman Sagan de brave Bora-knecht die zich
niet bewust is van zijn dichtende naamgenoot en
eerder prozaïsch zwetend door het peloton laveert,
Pegasus en Parnassus zijn in geen kilometers te bespeuren.

Ik denk dat Conrad niet wakker ligt van Konrad,
recensies en rituitslagen zijn niet concurrentieel.
Ik, Willie Verhegghe, eis een bijna-naamgenoot,
een renner Willy die daarnaast ook Verhegge heet en
mijn gespleten koerspersoontje laat dromen
van een profbestaan op veel te rijpe leeftijd.



Tour des Peintres 14

Domaine Degas – Square Malevitsj

Een gele trui voedt opnieuw de zonnestralen
Het is weer zo’n dag tussen de wijngaarden
De jonge Jonas Vingegaard concentreert 
zich op de schaduwen die uit de afgrond klimmen

Er is het gebarsten baanvak tussen bramen
Er is het doodlopend steegje van absint
Er zijn de kruiswegen van de kleurensnuivers 
en het landweggetje van de monochromen

Het royale gebruik van geel wordt toegeschreven 
aan het te vaak ontmoeten van De Groene Fee

Er is het felle Geel van zonnebloemen
En het geel van zand voor ogen

Jonas Vingegaard Rasmussen schildert in de velden 
van Bjerg, Hollenstein en Pöstlberger
het volmaakte witte vierkant

ongrijpbaar is het toekomstbeeld.




Helaas

Een heroïsche Tour -
de dichter heeft er helaas
geen woorden meer voor


Tim Declercq

 de John Deere van het peloton

Genesis

In het begin schiep God de hemel en de aarde.
De aarde was woest en leeg: de duisternis  heerste
over de diepte en de Geest van God zweefde
over de wateren. God sloeg de hand aan de ploeg
die hij uiteraard zelf had ontworpen,
er volgden zes dagen van hard labeur met daarna
dag zeven die tot noodzakelijke siësta werd omgedoopt.
Adam en Eva liepen onwennig kriskras door mekaar en
toen sprak God: er moet nog wielrennen zijn.
En er was koers nadat hij  kundig een peloton
had samengesteld: bleke naakte rennershuid
werd met een regenboog aan kleuren omhuld,
de geoliede benen glansden in de zon,
een schittering die het oog verblindde.
Maar dat peloton moest ook een kop hebben,
dacht God, een renner die de winden en 
de lucht wegduwt en zich niets aantrekt
van wat zich achter zijn brede rug afspeelt,
die zichzelf wegcijfert en de pijn koestert
waarmee hij zijn lijf urenlang ongenadig geselt.
Er zijn er die deze renner smalend 'knecht' noemen
omdat ze niet beter weten of gewoon te lui zijn
om uit hun zetel te komen, de klassieke hangbuikzwijnen
die gewoontegetrouw als beste stuurlui aan wal staan.
Te gapen.


Tim splitst de Dode Zee

Een horde brommende en knallende motoren
heeft de laatste mus verjaagd, katten en hun vrienden
de honden zijn chaotisch onder tafels gevlucht en
oude mensen verlaten uitzonderlijk hun huizen,
vergeten hun wandelstok of rollator.

Tim Declercq
Plots, tussen opwippende sintels en rubbergeur,
verschijnt een blauwe stip die een renner wordt,
een azuren speerpunt op carbon, pezig en rank,
een verdwaalde Massaï-krijger met zonverbrande huid
die glimt en glanst, een man die kilometerslang 
aan hoog tempo en met strakke cadans de dans leidt.
Zijn naam: Tim Declercq, uit West-Vlaamse klei gekneed,
daarna tot rots gebakken in de ovenhete koers,
een stuk blikken speelgoed met sleutel in de rug,
een mennende Mozes die de Rode Zee splitst.
Met elke pedaaltred vormt hij Quick Step
tot Long Step om, gulzig rijdt hij zich kapot
tegen een muur van onbeschaamde profiteurs,
zijn zweet spat op het asfalt en op de zonnebrillen
van hen die hem naamloos en gemakzuchtig volgen,
hyena's met potsierlijke helmen op de kop.
Tim beukt tot de finish in zicht komt en de hel losbreekt,
een hel waarin ellebogen en kwakken domineren.
Wat gaat er dan in Tims' hoofd om, vraag ik me af,
in het hoofd van deze Stille Kracht zonder Couperus-kapsones,
voelt hij zich een pater Damiaan op een ijzeren koersfiets,
een Moeder Theresa zonder aardse driften of besognes ?
Hij, de geboren baan- en windbreker, of zoals hij
in Argentinië oerkrachtig wordt genoemd: 'El Tractor', 
de onvermoeibare John Deere van het peloton,
gul met zijn krachten, zich rekenkundig kompleet wegcijferend
in en voor een uit euro's en dollars samengestelde horde,
Tim als Lonesome Cowboy met Marlboro-meute op de hielen,
de Lucky Luke zonder het aura van sigarettenrook om het hoofd.

Prehistorie als nuttig interludium

Ze zitten met frisse lauwerkrans in mijn hoofd,
de super-gregarios van het wielrennen en peloton
die kampioenen maakten en nu met een vergrootglas 
in de annalen van de koers moeten worden gezocht.
Campionissimo Coppi had ze zo maar voor het rapen,
hij, de Imperator Maximus via celluloid in sepia afgedrukt,
nu naast broer Serse in Castellania praalgrafrustend .
Ik kijk naar een foto waarop Luciano Pezzi Feniks Fausto
in de Tour van '51 met een fles water verfrist,
een lakei die zijn Meester devoot besprenkelt en
zo tegen de ovenhete koerskoorts beschermt.
In dezelfde dienende rol horen Andrea Carrea en
Ettore Milano thuis, godvergeten knechten van 18-karaat
die de Mythe Coppi met onuitwisbare letters
op de grote stenen Dolomietenbladzijde etsen.
Maestro Merckx en Keizer Van Looy hadden dan weer
een ganse ploeg die hen diende, Edgar 'Labieken' Sorgeloos
was de kleine pezige super-gregario voor Rik, op  zijn kuiten
kon je gemakkelijk de spieren tellen, strakgespannen kabels
die voor eeuwig rusten in het vuistdikke wielerboek.
Ik zie een stille en ingetogen Van Looy nog voor me zitten 
op het finale begrafenisoptreden van Labieken die
tussen Sassari en Cagliari ooit zijn premature hemel had beleefd,
Rik als kroonloze keizer van een intussen verdwenen rijk,
nu zijn vrouw en muze Nina er niet meer is helemaal verweesd 
in een wegzinkend Herentals achterblijvend. Atlantis wenkt.
Merckx werd op zijn beurt op handen gedragen door ploegmaats
voor wie de Kannibaal vooral een onklopbare  Teddybeer was,
ze hoefden waar nodig alleen maar een wiel of drinkbus af te staan,
de zegevierende rest knapte de Grootste met panache wel zelf op.
In onze coronatijden van veel jong en ongezien geweld mag
Tim Declercq de ultieme altruïstische diesel worden genoemd,
in en naast zijn lange brede schaduw figureren wel nog
Tony Martin en Julien Vermote die slechts één doel kennen:
zo lang mogelijk op kop rijden. En haast nooit doodgaan.

Droom of fata morgana

Ik bel Tim die op weg is om in de Ardennen in de buurt
van de col du Rosier zijn conditie op peil te houden
nu het klassieke voorjaar voorbij en historie is geworden,
zijn stem klinkt rustig wanneer ik informeer naar de reactie
van papa Karel en mama Karolien toen die de beide zonen
gedecideerd in de leeuwenkuil van de koers zagen duiken,
Tim en Benjamin als fel fietsend broederpaar in een wereld
waar het fatum der Romeinen om elke hoek loert.
En nu is er ook nog vrouwtje Tracey en kleine Marilou
die als een dubbelscapulier van dierbaar vlees en bloed
in elke koers engelbewarend met hem meefietsen,
de jonge vader kent de gevaren en klinkt behoedzaam
wanneer ik, mini-Freud, zijn gevoelssnaren bespeel.
Hij, de stoere Vikingkoning op de boeg van zijn drakar in carbon,
de witte tanden met een grijnslach getooid in de wind,
het type renner waar ik het meest van hou,
van deze dwangarbeider op de geselende kasseien en
het broeierig kleef- en klimasfalt van Alpen en Pyreneeën.
En ik zie Tim in een illusoire flits Roubaix winnen nadat hij
een ganse dag in een omgekeerde wereld heeft gekoerst:
met ploegmaats die hem 250km uit de wind hebben gezet 
om hem op Carrefour de l' Arbre uit het wiel te laten komen,
meteen 'n beschermend schild te vormen en alert te reageren
op alles wat bougeert. Tim die het opgespaarde buskruit
uit zijn dijen tot ontploffing brengt , een uitbarstende vulkaan,
een orkaan van brute kracht met de gespierde slanke benen
in een gestage cadans solo op weg naar het betonnen ovaal.
Hij reageert onwennig wanneer ik hem dit scenario serveer:
laat me in jouw plaats dromen, makker, zeg ik, sta me toe
dat ik je fiere kop met een verdiende lauwerkrans versier en
je de kassei der kasseien in de schuchtere handen duw.



Tweelingziel

Mathieu
is mijn tweelingziel:
beiden
een Franse moeder
& een Hollandse vader

het zoeken naar meer gelijkenissen
doe ik mijzelf
niet aan


Achterop

Een lege bidon rollend door de berm
slijmkots drijvend in ruwharig gras
en een vrouw die onrustig wacht
op de vereeuwiging van een held
herinneren hem aan zijn blinde vriend
die de top nooit bereiken zou.

Zo is ook zijn eigen tocht een lange
lijdensweg van staties, een helse klim
naar de calvarie, een kruisweg draaiend
in het rond.

De benen trappen dan wel trager, het
hoofd maalt echter helder door - nooit
blijft hij eenzaam achter, want ook
de doden rijden mee

op de bagagedrager


Nooit loopt de weg dood

we beklimmen de berg omdat hij er is
de top is niet het einde van de tocht
achter iedere berg daagt weer een nieuwe op -
die draagt alleen een andere naam

we zeilen over zee naar de horizon
de streep die we zien is niet het einde
daarachter ligt weer een nieuwe zee
met dezelfde golven van koppig schuim

we fietsen door een onmetelijk land
over een vlakte die polder of meseta heet
de wind zingt altijd met ons mee -
tegenwind is een hopeloos misverstand

we kijken niet om, rennen altijd door -
nooit loopt de weg dood



POCKETROCKET CAV IS BACK !

 -voor Patrick Lefevre-

De Turkse hemel brak op maandag 12 april
in bloemen open: pocketrocket Cav is back !
Vrouwtje Peta 'was screaming like a lunatic' en
in Roeselare zag voedstervader Patrick
hoe zijn Britse Blauwvoet opnieuw vliegt,
of beter: als een oude wolf zijn tanden toonde.

Dit was de renaissancedag van Cavendish,
zijn aardse verrijzenis in pure Christusstijl,
na drie jaar droogte en dolen in de woestijn waar
elk zegegebaar tot een fata morgana werd herleid.
Hier is de Manx-missile die recht op doel afgaat en
als een blauwe lynx zijn prooi bespringt.

Op wat wacht de arrogante Erdogan
om Mark vanavond naast hem op de stoel te dulden
waar falend feminist Michel domweg was neergeploft ?
Al zal de renner zijn kinderlijk gelukkig hoofd
wellicht liever in de moederlijke schoot
van de verfijnde Ursula von der Leyen vleien.





Ispahaan-Roubaix of De klassieker en de dood

- voor Annie Victor en Mark Van Hamme -

Mons en Pévèle, Wallers-Arenberg, Carrefour de l’ Arbre:
namen als klauwen in de koppen der coureurs,
een wereldoorlog op wielen, La Grande Guerre op tubes,
de oeroude waanzin van koersen met beukende benen
die als Stalinorgels hun stalen spieren afvuren
en de renners tot kanonnenvlees maken, tot poilus
die als patrijzen uit de grauwe lucht worden geschoten.
Lees wat Joseph Gilles op 3 mei 1916
vanuit de loopgraven naar zijn geliefde schreef:
‘Pour se rendre aux premières lignes,
c’ est très pénible et tres dangereux;
un kilometre environ avant d’ arriver,
il y a un passage dénommé le ravin de la mort,
il faut y passer, il n’ y a pas d’ autre endroit.’
Het is alsof Joseph Gilles mee koerst
in de voorste linies van de Hel van het Noorden.
Ach, Parijs-Roubaix, abattoir infernal,
de darmen uit het lijf, het schaterend snot,
de bloedende koppen, het wit van ogen in een zee
van slijk en verblindend flashlicht. 
Liefde ook die niet zonder haat kan,
dat is deze koningin der klassiekers,
een mooie maar verkrachte vrouw,
hoor haar schreeuwen en scheuren,
ik, ik lik en schrijf haar wonden dicht.
Als koers drama is dan zeker in het slijk
en op de kasseien van dit Verdun
waar de duivel zijn vuurrood tandvlees bloot lacht 
en meerijdt in de nek der renners,
hij stuurt hen, stuwt hen, stoot hen van zich af
en breekt hun ziel en adem. 

Zondag 12 april 1970, de piste van Roubaix.
De grootste, Merckx, triomfeert in hondenweer,
de kannibaal lust zijn tegenstrevers rauw,
hij hoest hen onder met loden modderfluimen,
in de achtergrond koerst een jonge man uit Roeselare,
Jempi Monseré, te sierlijk om met zijn hostiewitte ziel
renner te zijn in de modderkuilen van deze sport,
precies een jaar eerder jubelende papa geworden
van godenkind Giovanni, mooi zoals de engeltjes
op de doeken van oude Italiaanse Meesters.
Jempi wordt tiende, een paar maanden later
ziet het Engelse Leicester een nieuwe jonge god over
de regenbooglijn fietsen, de hemel breekt in rozen open
maar in de zegebloemen zit één enkele doorn,
vals verscholen als een adder onder gras.

Maandag 15 maart 1971, een namiddag in de Kempen
onder de giftige rook van Antwerpse olieraffinaderijen,
supporters staan in wollen truien en plastic regenmantels
arm te zijn onder de rijke, gezwollen Vlaamse wolken,
het uitgestorven Gezelle-woord zwerk klinkt hier beter.
Sint Pieters Lille, zo heet deze ongezegende plek,
de Man met de sleutel van de hemel wacht geduldig
op de zekere komst van de wereldkampioen die zich
overbodig voor zijn Ronde en Roubaix klaarstoomt.
Plots een wagen uit het niets van de mist,
de panische angst in de ogen van de chauffeur
- een dame die bijgod niet weet wat een koers is - ,
Jempi fataal frontaal, een dun straaltje bloed uit het oor,
de gebroken nek, het uitgedoofde licht in de ogen,
slechts één seconde het fatum der Romeinen
voor de mooiste renner van het peloton,
deze adonis met Flandria-Mars op de borst.
Hij ligt in de houding van de gekruisigde Christus 
als gespijkerd op het harde en lijkbleke beton,
zijn strijdmakkers staan doodstil en geknakt rond hem,
koersvader Noël Foré buigt zich over de gesneuvelde,
tast naar de stilte van het atletisch hart en trekt zich
dan trillend terug tussen de tranen van zijn renners.

Zondagmorgen 18 april 1971, een zolderkamer
onder cementen pannen in Denderleeuw,
het Oost-Vlaams forenzendorp waar Van Looy
en Merckx zich in het na-Tourcriterium van 1969
door het peloton hebben laten dubbelen:
de oude Herentalse Keizer wou die julinamiddag
niet uit het wiel van de knalgele Eddy komen.
De zolderkamer dus die slaapkamer was
van dit toen nog jong en langharig dichtertje:
mijn vrouw stoot me rond zes uur zachtjes aan,
de mussen waren juist aan hun eerste concert begonnen
en er denderde af en toe al een wagen over de kasseien,
ze port me in de zij en zegt met zelfzekere stem
‘ het zal voor vandaag zijn, mannetje,
ik denk dat de weeën zijn begonnen’.
En zij kon het weten: fiere draagster van een forse buik,
gespannen als een trommelvel, negen maanden
vol verwachting en verder ook nog gezegend
met een familienaam die alle twijfels uitsluit:
‘ Vanderweeën’. Ga daar maar eens tegen in.
Ik, slaapdronken maar toch bij de wielerpinken:
‘Zeg dat het niet waar is, toch niet vandaag zeker,
op de dag dat Parijs-Roubaix gereden word !’.
Maar het wàs waar.
Wat later op weg naar de Aalsterse kraamkliniek,
met de Ford van de brave dokter Coppens wegens
zelf nog niet in het bezit van vervoer op vier wielen.
Een paar kilometers daar vandaan slurpen
Jeanneke en Louis Paul Boon hun ochtendkoffie
en denken totaal niet aan koers maar misschien wel
aan ons want Louis had de buik van mijn vrouwtje
kort daarvoor deskundig en goedkeurend betast,
los van Mieke Maaike’s obscene jeugd
en zijn aanzwellende fenomenale feminateek.

Ver weg, zuidwaarts, in Parijs,
zijn de renners aan hun calvarietocht begonnen,
de Flandria-renners met rouwbandjes om de armen
en roodgeweende truitjes, Jempi ter ere.
Het is droog weer, Roger De Vlaeminck rijdt
wat wazig en deels verlamd over de kasseien, 
Le Gitan die een jaar eerder slechts door Merckx
van de kasseiroem werd afgehouden.
In zijn ogen de weemoed van Django Reinhardt
om Monseré, de klaagzang van een Grieks treurspelkoor.
Ik zing noordwaarts mijn pasgeboren vadervreugde uit:
het is drie uur in de namiddag en het wonder heet Miguel,
onze kleine aartsengel is geboren,
mijn vrouw ligt stralend kersverse moeder te zijn.
Maar buiten hoor ik het bazuingeschal van Roubaix,
nog even ‘n goedkeurende blik op het kleine wonder en
dokter Coppens en ik duiken daarna meteen het café
met tv aan de overkant van de kraamkliniek in,
een wat mistroostige plek waar priester Adolf Daens
van op je schouder meekeek hoeveel pinten je dronk,
de kettingrokende waard, de verdwaasde stamgasten.
Dokter en dichter zien in Roubaix Roger Rosiers
solo het ovaal oprijden, hij zet met Bic de puntjes op de i,
ik jubel met hem mee, de dokter lacht stil en begrijpend.

Ik kijk naar een doodsprentje:
‘Giovanni Monseré, na een auto-ongeval
overleden te Brugge op 17 juli 1976’.
Mama Annie heeft de tekst van het prentje geschreven,
nu, na al die jaren zit de oude tristesse nog in haar ogen
wanneer je met haar praat, een prachtvrouw
getekend door de stigmata van de dood op de fiets,
ik hoor de schreeuw van Munch uit haar moedermond.
Kleine Giovanni heeft zich met een fietsje
dat hij van Freddy Maertens heeft gekregen
net als zijn vader-wereldkampioen onder een auto
de veel te jonge dood ingereden,
ook nu stond Sint Pieter te wachten,
papa Jempi die verlamd toekeek,
het gestolde bloed op zijn wang,
de ijskoude, leeggereden benen.

Zondag 12 april 1981, 
een ziekenkamer van het Leuvens UZ,
de lente breekt los in bloesems en blauwe lucht,
Miguel ademt moeizaam zijn laatste nacht tegemoet,
zijn uitgemergeld Auschswitzlichaam trilt,
hij is net geen tien en de strijd die hij een jaar lang
o zo moedig heeft gestreden aan het verliezen.
Tuis staat zijn rode fiets voor altijd op hem te wachten,
ik verlies mijn ploegmaatje nog voor 
zijn echte levenskoers is van start gegaan.
Op weg naar Roubaix beukt zijn idool Hinault
zich in regenboogtrui naar de kasseiroem.
Ik fluister de zege van Bernard in het oor van Miguel,
nu nog vraag ik me af of hij het heeft gehoord,
wellicht wel want een paar uur later ligt hij
met stilgevallen hartje maar ook met een glimlach
om de mooie mond tussen de ijzig witte lakens.
Nog één kus op zijn voorhoofd dat nog warm aanvoelt,
Michelangelo die mijn vrouw tot deel van zijn Piëta maakt,
dan buiten de bijtende pijn van de lente
-‘April is the cruellest month’, zo schreef T.S. Eliot-,
het levend licht, de mussen in de bloeiende appelaars.

Jempi, Giovanni en Miguel:
op de klanken van de Stabat Mater van Pergolesi
draaien ze nu in mijn getormenteerde kop samen
rondjes op onaardse wegen zonder modder of kasseien,
Roubaix is voor altijd Ispahaan geworden
en ik de tuinman die op zijn fiets de dood ontvlucht.
Tot ik bij hen ben.



Miguel Verhegghe maart 1980
Jempi en Giovanni Monseré

De bidon van Motta

De pas gehuwde dichter is jong en onstuimig,
alom Sturm und Drang wanneer hij als wielerfanaat pur sang
samen met zijn vrouwtje in Vianden op een helling
naar een voorbijflitsend peloton staat te kijken, 
we schrijven donderdag 13 augustus 1970.

De intussen opgedoekte wedstrijd Parijs-Luxemburg
flitst aan het huwelijksreizend koppeltje voorbij, 
in het nabije Clervaux wacht een liefdestent hen op.
Een mooie sierlijke coureur in lichtblauwe trui
werpt zijn drinkbus weg voor de voeten van de poëet, 
renner en dichter kijken mekaar even in de ogen,
Gianni Motta, Italiaans godenkind op tubes,
rank als een reiger, het onzuiders blonde haar,
een nostalgische momentopname die een halve eeuw later
tot een lyrisch tafereel wordt omgevormd.

De Cucine Componibile Salvarani-bidon staat
als kleinood op mijn schrijftafel en draait de klok terug.
Ik denk terug aan mijn toen prilzwangere vrouw en
aan Miguel die acht maand later zou geboren worden.
Op Parijs-Roubaix. En tien jaar later is gestorven,
op dezelfde klassieke dag, een rouwlint rond ons leven,
een graf waarop altijd frisse bloemen staan.
Kille bloemen dus, met het grijs van ijs.





De Pollareberg

'Het eerste dorp dat men ter rechterzijde van den Dender,
Ninove verlatende, in de richting van Geraardsbergen ontmoet, is Pollare.
Het is gebouwd aan de helling eens heuvels, die zich op zijn verhevenste punt
tot 65 meters boven de lage zee te Oostende verheft, en biedt den wandelaar,
vooral in den zomer, wanneer het geboomte met weligen bladerentros prijkt,
een lachend uitzicht aan. Des winters is de toegang er alles behalve gemakkelijk.'

(Uit 'Geschiedenis van de gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen' door
Frans De Potter en Jan Broeckaert, Gent/1899)

DE POLLAREBERG

-klein in memoriam voor Miguel °1971-+1981-

Hoor ik daar hardnekkig gemopper in de erudiete rangen
van  wielerkenners, bespeur ik opgehaalde schouders,
een monkellachje dat boekdelen spreekt ?
What the fuck is de Pollareberg, waar ligt hij,
waar steekt hij zijn onbekende neus tot in de lage hemel,
is hij 's winters met een meter sneeuw bedekt,
huizen er charmante marmotten op zijn flanken ?
Ik, dichter bij de gratie van de koers, inwoner van een dorp dat fier
de naam van zijn heuse maar quasi onbekende berg draagt,
ik moet gewoon twee brokjes wielerhistorie opdiepen:
de prille lentes van '86 en '87, de jaren vol persoonlijke nostalgie 
want de Ronde van Vlaanderen passeerde aan mijn deur om
even later met stuk gereden renners op leeglopende tubes
de Pollareberg als laatste helling van de dag aan te vatten.

Mijn vrouw kende het onooglijke dorpje niet,
'nooit van gehoord, waar ligt het?' vroeg ze nieuwsgierig
toen ik zei er een mooi oud huisje te hebben gevonden.
We kochten de bescheiden bouwval met scheve olmen balken
die het dak schraagden, de tuin met hoge brousse-allure.
En leefden er kort jeugdig onbezonnen en gelukkig.
En ja, er lag een heuse helling in het dorp, amper 700m lang,
10% maximale stijging, op de top twee grote boerderijen
op hun rurale retour, stenen restanten van vervlogen tijden
waarin paard en kar nog een hoofdrol speelden,
vlakbij stond ook een nederig kerkje onder
 parochieheilige St Kristoffel bescheiden te zijn.
Ik had toen een zacht lila Thompson koersfiets,
 in het door mij verlaten geboortedorp Denderleeuw
uit liefde voor de kleur met karig pril huwelijksgeld gekocht
bij Charles Van Den Borre, een fietsenmaker uit de oude doos
met gouden vingers en van weinig woorden.
Het frame was op zijn minst een maat te klein,
de versnellingen te groot wanneer het steil bergop ging,
Mr. Thompson slijt nu op zolder onder een deken zijn oude dag. 
Wat te kleine fietsen betreft heb ik nog een extra verhaal:
ooit reed ik een artiestenwielercriterium op een blauwe Superia
waar Keizer Van Looy nog mee had gekoerst, ik eindigde tweede,
geklopt door een intussen van de aardbol verdwenen kunstschilder.
Ik hield wel met voorsprong een paar in die tijd grote namen
van de schone Vlaamse letteren achter mij: dichter Paul Snoek en
prozaschrijver Hugo Raes, allebei al decennia verzwolgen
door de zware fluwelen tijdscoulissen van de literatuur,
een verdwijntruc die zelfs Claus en Mulish treft.

Maar nu terug naar de Pollareberg en zoontje Miguel
die al vier decennia in een fata morgana met engelen
zijn immer 10jarige beentjes kwiek en soepel houdt 
klauterde er met mij naar boven op een bloedrode Lugano,
een cadeau voor zijn nog gezonde negende verjaardag,
kindereuforie in de speelse kop en pezige beentjes, 
ik genoot van zijn naturelle en ongepolijste klimstijl,
zie hem op de top nog glimlachend staan hijgen,
herbeleef de bruusk geknakte weelde van de jonge vader
die nu nog elke dag met uitgedroogde tranen in het hoofd
door de nooit gans te helen wonde wordt gepijnigd.

In de herfst werd op de helling ooit de eerste veldrit 
van het seizoen gereden : Pollare en zijn berg
als beslijkte ouverture van de wielenwals door weiden,
ik zag er Eric de Vlaeminck en Roland Liboton nog aan het werk,
twee grootmeesters van en in de modder, superieur in het tonen
van hun slalomkunsten tussen knoestige knotwilgen en
hoog in de populiertoppen wiegende kraaien.
Als enige Hollander op de zegelijst staat Henk Baars genoteerd
die in het WK van 1990 in Getxo vader Van der Poel klopte,
Adri die vier jaar eerder door mijn dorp gereden was,
over de Pollareberg op weg naar zijn Ronde-zege,
iets wat zoon Mathieu hem meer dan een kwarteeuw later
met genetisch bepaalde panache zou overdoen .
Ik zie Adrie nog weggedoken achter de zegezekere rug
van de Ierse oermens Sean Kelly aan mijn deur passeren,
een jaar later reed Criquielion in Hitachi-trui solo voorbij,
een Waal op weg naar de ultieme Vlaamse koersroem.
Claudy, tragisch coureur van de gemiste tweede regenboogtrui 
na de spurtstrapatsen van Steve Bauer in Ronse en
een veel te vroege dood, we trokken ooit samen
naar de Antwerpse boekenbeurs om er mijn wielerpoëzie
te signeren, hij verontschuldigde zich omdat hij 
tien keer meer zijn handtekening moest zetten,
o schamele roem van de wielerdichter in de schaduw
van een renner die groot was in zijn eenvoud.
Twee keer Vlaanderens Mooiste over de Pollareberg
die een veel te klein en kortademig respect kreeg
van de klassieke koers, net zoals Muur en Bosberg trouwens
sinds de eindmeet in Meerbeke voor een peloton euro's
naar een steriele boulevard in Oudenaarde is verhuisd,
topsport als ongegeneerd gangmaker voor de ordinaire poen,
ook koers en coureurs knielen voor het Gouden Kalf .

Nog een pijnlijke anekdote als toemaatje:
één keer kalkte ik aanmoedigingen op het beton
voor mijn deur, in '87 was dat, het jaar van Criquielion:
voor dag en dauw had ik in wel een halve meter hoge letters
'GO EDDY GO' geschilderd om Planckaert aan te moedigen.
Maar de speelvogel en Uilenspiegel uit het Nevele
van Cyriel Buysse gaf er die dag snel de brui aan en
zadelde het moegeborsteld dichtertje met een kater op.
De uitdagend witte letters bleven me nog lang achtervolgen,
als klap op de verkeerd gemikte supportersvuurpijl won Eddy
het jaar daarop de klassieker die evenwel
niet meer aan mijn deur voorbij kwam, 
weg de rubberen zang van pakweg 300 tubes,
het zalig ratelen van de driftig schakelende derailleurs.

En hoe doet de Pollareberg het nu, hoor ik jullie vragen,
bruist en borrelt het dorp nog zoals voorheen ?
De helling dient nu nog als een onvolprezen mini-klim
voor een jaarlijkse profkermiskoers en jeugdwedstrijden
- een dorp waar geen koers passeert is dood-,
inclusief de walm van braadworst en bier in plastieken bekers.
Ik zag er vader Van der Poel al als toeschouwer staan,
dromend op een berm, zou hij nog met kriebelende benen
aan zijn zegerush van 1986 denken, jubels in het hoofd ?
Pollare zelf blijft zijn berg in stilte koesteren,
duwt hem als het moet hautain wat hoger dan hij is,
een puist voor het peloton, een heuse kuitenbijter
voor mijn aan slijtage lijdend lijf. 
Dat buigt maar niet barst of breekt.



(uit 'De Muur' nr 72/april 2021)

Oudenaarde

BerendriesEikenberg
HoogmisHolleweg
KortekeerKoppenberg
KattekeerKruisberg
KanariebergKwaremont
LebergPaterberg
PlakbidonPaddestraat
SteenbeekTaaienberg
ValkenbergWolvenberg

O er is nog meer


Vlaanderen

De Ronde - de dag
dat ook ongelovigen
naar de Hoogmis gaan


Mathieu op koers

In het circus van dit volksvermaak speelt hij 
directeur dompteur clown wild dier 
tegelijkertijd in samenhang

losbandig dwangmatig met heldenmoed
intuïtief op koers naar winst vol tact of
tactloos scherp

opstandig tegen de renner die slechts kansen 
weegt en wikt verkent hij de drieste daad 
onvoorzichtig onverwacht speelt hij

met patronen van zijn eigen blauwdruk 
een heruitgevonden koerskijk 
met grilligheid op zandpad in modderbad
gravelweg klim brede baan 

de sporen geeft hij aan zijn ongetemde beest
steigerend naar elke finish als kampioen
ontsnappend aan dreigende dranghekken 
van verwachting

ontstijgt hij aan zichzelf en anderen in speels plezier

hij wint altijd ook bij verlies 


Zuigend asfalt

Ik zoek de brandstof die in mij zit, het
vuur dat in mij laait, zich loswrikt uit
mijn genen, mijn benen laat draaien, al
maar draaien om niet terug te vallen
in het benauwde dal achter mij.

Een gele man aan de rand van het ravijn
die de dood al heeft ontmoet, kijkt op
van zijn horloge, roept dat de tijd niet
stil is blijven staan, dat het al tegen
twaalven loopt.

Ik haast mij verder naar de kale top, duik
de Pyreneeën uit, fiets Pamplona binnen
waar ik een verdwaalde stier ontwijk zoals
ik ook kloosters en kathedralen mijd
van Burgos en Léon op de verzengende
meseta.

Zwoegend ploeter ik voort door zuigend
asfalt van zuchtende dalen en ademloze
bergen, totdat alle reserves zijn verstookt
de aarde en ik drooggekookt als ik
aankom bij Cabo Finisterre:

Fin de la terre.


De gebalde vuisten

of de dood van een jonge wereldkampioen
-in memoriam Jean-Pierre Monseré/15 maart 1971-

Brussel lag onder een zware grijze sluier van regen en
haperende lente toen ik er op de radio
een weeklagend Grieks treurspelkoor hoorde:
de dood van de sierlijke wereldkampioen op de fiets,
in een kleurloze kermiskoers van het dorp Retie,
op een dag die bij mij als Dallas en Kennedy aanvoelde
of jaren later het Nine Eleven van New York.
's Anderendaags het duister defilé van krantenfoto's
met oud-kampioen Noël Foré die knielt voor de dood,
een paar verdwaasde mannen met de handen
onhandig in de broekzak, een lange rij bomen
als roerloos kille wachters bij de openluchtkatafalk,
een schamel straaltje bloed
dat zich haarscherp etste in het grijs beton,
ploegmaats die om hulp schreeuwen in een veld van doven.
En de gebalde vuisten van Jempi:
de rechter als een scapulier op de borst,
de linker moe gevochten naast zijn stilgevallen lijf
dat lijkbleek de veel te snelle dood begroet.
Ook nog de Mercedes met gebroken vrouw en koplamp.
Ver weg de mooie Penelope Annie die plots weduwe is en
zoontje Giovanni dat nooit zal weten hoe sterk en knap
zijn papa was, een wielergod met lauwerkrans
van geknakte zwarte rozen.


Lille, 15 maart 1971

Een jongen van tien was ik, dwepend
met een bengel die in Leicester triomferend
over de streep reed. Zo sierlijk en zo soepel,
druipend van klasse, een engel op de fiets.

Een jongen van tien was ik, die geloofde in
een onsterfelijke kampioen die won en won en won.
Tot ik, niet eens zeven maanden later, de foto zag
in de krant. Van die renner in regenboogtrui, koud

op het koude beton. En plots besefte: na dit alles
volgt nooit nog iets. Blijft dood onherroepelijk dood.
Languit en vleugellam, een streepje bloed langs
de wang. Nooit kleurde een zwart-witfoto zo rood.





Een waar kampioen

vandaag
steunend op het verminkte stuur gekromde vingers
met een gebroken stang in onevenwichtige balans
over het asfalt sleurend naar de finish toe achterop
zijn maat die voor hem glorieert

morgen
strompelt hij winnend over elke finish
overmorgen
kruist hij de armen als triomfgebaar
gisteren
zwiepte hij na de meet de berm in
elke dag
jongleert hij op de fiets crost in het veld
struikelt hij over verhitte boomstammen in de
euforie van winst

tot nu toe ontsnapt hij aan het opleggen van
beperkingen ontsnapt hij aan de dranghekken
voor het wilde dier in hemzelf dartelt hij
vliegensvlug als dompteur met eigen oerkracht
rond in het circus van zweet bloed

juichend voor zichzelf of voor de ander is hij
de ware kampioen


Sterven in het Vlaamse Land

De laatste kilometers van weer een eindeloze snelheidsrit
vliegen renners door over elkaar in woeste golven naar
het ultieme doel winst in de koers op harde grond Dwars
door Vlaanderen Gent Brugge De Panne Nieuwsblad
en andere zaligheden voor gelovigen op deze smalle weg

naar onvergetelijke roem of splijtende afgang het gedaver
op de keien bolle wegen slipperige stenen stuivend zand
wind op kop of in het hol sterven de heldere gedachten dood
en na kilometers klimmen superkampioenen langzaam snel
het op hol geslagen peloton voorbij op naar weer een einde

hier geen ravijn van verveling gapend wachtend op
hun slachtoffer op twee smalle tubes geen grove stenen
langs de boarding of bochten als gekromde spelden
te krappe bochten langs bergwand maar geploeter
in vlak Vlaams land buigend bomen in waaiers loerend

tot de victorie kraait of een verlies weer wacht


Angliru

Het beest is eerder gezien.

Het moet er zijn, verscholen in
de nevel van Asturië, waar het loert
naar zijn schapen als een beer die is
teruggekeerd uit de Pyreneeën.

Kom, volg mij, hier gaan wij omhoog
maar bedenk: de tocht is lang en steil.

Kijk uit voor vallende stenen en blinde
afgronden.

Ga niet staan, je achterwiel verliest het spoor

blijf zitten, stap niet af, val niet om

je komt niet meer weg

je wordt verslonden.


Martin Carette

(een tussensprint in mijn herinnering, 28.01.2021)

Altijd lees ik lichtheid. je trapt met soepele tred het landschap. 
kerken en kruisen. velden vol vlas en oude linden halen zuurstof
uit doorbloede woorden, je lacht. je ziet me met mijn krachten 
woekeren, vraagt kleiner te rijden, hogere cadans, en danseuse 
mooi woorden wiegen. spaar je spieren voor de pointe. 

dan neem je een paar meters in je blikveld, even demarreren
om dan opnieuw te vertragen, als het ware een beetje poëtisch
surplacen. bijna treiterig traag op je lettergrepen,  nog een laatste 
rijm als energiereep en dan ram bam bam als een pijl uit een boog,
groene tussensprint door het landschap, klanken als klikpedalen
 in je woorden koers je in haiku’s voorjaarsklassiekers 
van dorpen, zing je van markten en pleinen. 

zo zet ik mij in het wiel van je woorden, je dichtersadem 
in mijn nek durf ik nu de kop te doen, zes dorpen lang

in een wedstrijd zonder wedstrijd, fotofinish na fotofinish, 
straks zijn de bloemen voor jou.


Nummer 143

I.M. Bjorg Lambrecht

Hier staan we dan, Bjorg. Zoekend naar woorden
van troost. Naar een gedicht misschien dat poogt
en tracht en hijgt en zoekt naar een verklaring,
een uitleg voor het waarom van een dood die
geen enkele goeie reden heeft om waar te zijn.

Een ordinaire weg in een land dat Polen heet
op een striemende blauwe maandag in augustus.
Het bericht dat ons met verstomming slaat.
Waarom het lot zijn oog liet vallen op jou
die enkel puurheid was op een fiets, niemand
die het weet. Niet te geloven, niet te harden is het.

Voor altijd zal 143 jouw nummer zijn. Net als Jempie
forever 22. We tekenen, schrijven onze naam in
een register dat vol rouwende mensen staat.

We klappen met jou tegen een koud obstakel aan,
vallen met jou stil. Het ga je goed Bjorg, wie je was
en wat je beloofde blijft ons voor altijd bij.


Paul Rigolle

Freewheelen

Freewheelen is het zaligste, 
ja het hogere fietsen. 
Nescio deed het in de polders 
en aan het IJ  
Stijn Streuvels soms aan de waterkant.  

De freewheeler lijkt op een late aristocraat.  
Hij bolt even uit, 
bewaart het evenwicht 
maar doet nix 
en dit dan zo lang mogelijk.   


Zoetemelk

Pas laat heb ik die jongen uit Rijpwetering toe-
gezongen, namelijk toen hij in Giavera Montello
- ook zo'n uitgelezen oord - was weggesprongen.
Daarmee gingen de heren Steef en Teun akkoord,
waarna zij eensgezind in de remmen knepen.

Tot dan toe had ik het op bleke Jopie niet begrepen.
Wel had ik hem het wieltjeskleven allang vergeven.
Per slot van rekening was hij de enige die
de kannibaal kon volgen op Alp en Pyrenee.
Maar dat hij zich in tachtig door Lepe Dries liet kussen
Aan de meet, voelt nu nog als een slangenbeet.


Albert Megens

De man met de hamer

Of is de man met de hamer
een vrouw? Zo'n doortastende teef
die de renner - nochtans goed op dreef -
ongenadig te grazen neemt?

Is de man met de hamer
zo'n adembenemende dame die de coureur
- die nochtans heftig en hanig naar de zege rijdt -
met één bevallige blik de benen afsnijdt?

(zich meester maakt van strijdlust en van streven,
een aanslag pleegt op geest en gevoel, tot hem de moed
in de schoenen, de geur van het verlies in zijn eigen
slappe, uitgewoonde lichaam zinkt.)

Zo'n gehamer, zo'n vrouw is het
die de renner tot een inzinking
dwingt.


Patrick Cornillie

De dichter dicht door

Op weg door het bos vol doornen,
rijdend langs het ravijn van de stille dood,
heeft de renner opnieuw een bocht gemist,
is hij verdwenen in een diepe kloof
waaruit niemand hem ooit heeft opgevist.

Ze hebben hem gevonden op het bed
van een hotel, in een vreemd land,
achtergelaten door een vrouw voor even
die zijn wielerleven voorgoedf heeft
uitgewist met zijn toekomst in haar hand.

Maar de bron van de dichter staat nooit
droog, zolang hij kan dichten over levende
legendes die sterven in vergankelijkheid
en over naamloze knechten die hij laat
opstaan uit violente dood en blijven
leven zo lang de dichter wordt gelezen.

Harmen Malderik

Zondag op het strand van Oostende

Het zal zeker regenen en het zal waaien
en de windmolens zullen blijven draaien.

De hoge brug op het strand zal steil zijn
en de tram langs Raversijde zal niet rijden.

De winnaar van deze zand- en strandcross
voor wielrenners van de hele wijde wereld

ontvangt een gouden vleermuis uit Wuhan
plus een gratis inenting door de Alverman.


De Vriendfietsen Van Mijn Fietsvrienden

Ik mis mijn fiets
& mijn fietsvrienden
evenveel
als mijn fiets
de fietsen
van mijn fietsvrienden
mist


De renner

-Wontergem, standbeeld Lucien Buysse-

De renner is een beeldhouwer, als Michelangelo
op zoek naar de ultieme vorm in het dooraderde
beenharde materiaal van zijn lijf. Ook is de renner
een dichter, vergroeid met zijn pen of klavier

als met een frame. Zonder roadbook draait hij
vierkant over de hobbelige dwaalwegen, die jubel
beloven, op weg naar de zege, de roem, de steen,
als trofee. De finale lendenruk perst de laatste jus

uit de woorden, in taal cru en gespierd als zijn dijen.
Bebloemd en gebeiteld staat hij op de hoogste trap
van het ereschavot. Toch wint hij maar half, nooit

haalt hij het helemaal van de woorden, de stenen,
zichzelf. Er is altijd de andere helft. Dat eeuwige,

onverbiddelijke blok loodzwaar aan het been


Martin Carrette

Misschien

Misschien hebben we hem
te veel en te vaak
overspoeld
met onze dromen,

misschien hebben we hem
te veel en te vaak
en altijd ongevraagd
het juk van succes
opgelegd,

misschien hebben we hem
te veel en te vaak
het plezier in fietsen
ontnomen,

misschien hebben we hem
te veel en te vaak
gehinderd
bij het volgen
van z'n eigen dromen




De kunst van

je ziet het, als je er oog voor hebt 
een groen beschimmelde bal, verweesd 
klem in de kruin van een vergeten knotwilg
ergens in de polder vol met stormen 

of een gerimpelde ballon, restant en relikwie 
van het dorpsfeest, bungelend als meebiddende para
dichter bij de aarde dan bij het heelal

maar, om nu je renfiets aan de wilgen te hangen
als poging tot stillevende performance: de kapstok 
van een kale stam met lange tenen in een winterkleed?

zoiets valt niet uit te leggen 
dan maar beter je carbonframe stijf in de koeling
tot het klimaat het virus van de koers opwarmt

en je racer, toch nog onverwacht, ontdooit


Een Bijbelse Verrijzenis

of het wonderjaar 2020 van Wout Van Aert

-uit: De Muur nr 71-

 - I -
De Val (tijdrit Tour 19 juli 2019)

Die mooie tricolore trui bekroond
met het knap donker kopje onder de helm,
de magistraal duwende dijen:
het kon niet stuk die dag, in een rit tegen de tijd 
die op satellietvleugels de wereld rondging.

Tot de Tour het toneel werd voor Grieks drama
waaraan zelfs Sophocles een duim kon zuigen:
een fatale bocht naar rechts, het rouwzwart asfalt,
de namiddagzon als kil flashlicht op de dranghekkens,
het Romeins fatum vermomd als ijzeren wachters,
geen zegebloemen of wulps kussende Misses 
met eindeloze benen en rood gestifte lippen: 

Wout haakte in wat hem moest beschermen,
een bot scalpel ging door de zwarte broek en
haalde de strakgespannen dij ongenadig open.
De hemel gooide een treurgordijn over renner en
blootliggend vlees. Bloed en vernieling.

- II -
De Verrijzenis (Strade Bianche, 1 augustus 2020)

Toscane -stukje landschapshemel op aarde-
ziet hoe de Christus van de koers verrijst,
alom wierook en jubelzang van engelen
over zijn gehelmd hoofd. Dat zegeviert.
Vergeten de pijn, de diepe wonde, 
de Adonis van het Belgisch wielerheir verschijnt
wonderlijk hersteld en krachtiger dan ooit in een decor
dat door dichters amper in verzen kan worden gevat.

Het wit stof stuift wild de lucht en de longen in,
ogen tranen, bruingetrainde spieren knarsen onder
de zandstorm in het hart van dit toeristisch Mekka.
Wout weegt zijn rivalen, bevindt hen te licht,
zelfs de muziek van hun namen 
-Formolo, Stybar, Fuglsang- verstilt
bij de overmacht van zijn paukenslag, 
zij breken in zijn wiel, zien hoe hij wegstuift,
steeds maar kleiner wordt en uit het zicht verdwijnt.

- III -
Piazza del Campo (Strade Bianche II met Paolo Conte)

Op de tonen van de doorrookte zang van Paolo Conte
in zijn ode aan campionissimo Gino Bartali
blaas ik met een woordenwind het gezouten stof van Wout,
weg de verstikkende wolk van Toscaans grind 
dat renners tot woestijnsoldaten van Rommel maakt en
hen in het hemels Siena verlost van bloeddoorlopen ogen.

Vincitore Wout, brok genadeloos graniet op gravel,
getooid met rijke lachrimpels en een blonde kuif
op de met gracieus grinta getooide knappe kop:
old fashioned aanvallend renner naar mijn hart,
nooit holle praat met zijn zware diepe stem, 
op de strak klassieke Piazza del Campo
stijlvol de horrorcrash in de Tour wegwissend,
Caesar in Siena heersend over de koerscohorte.

Met als niet te versmaden toetje op de koerstaart
zijn zwanger vrouwtje Sara geduldig wachtend
op de verwekker van het mini-rennertje dat
in haar buik opspringt bij zoveel prenataal geluk. 

- IV -
Milano-San Remo in estate

Deze keer geen Primavera of ontwakende lente
die zich opwarmt om in de glanzende serres
op de flanken van Cipressa en stijgend asfalt
tomaten van groen naar rood te laten uitgroeien
tot de smakelijke kronen op het Italiaanse pastawerk.
De Capo's Mele, Cervo en Berta dit keer weggesneden 
door het vlijmscherp scalpel van het coronavirus.

De zomer-Poggio baart een muis met drie koppen:
mijn buurjongen Aimé De Gendt speelt alles of niets en
doet de tifosi nerveus uitzoeken wie die vermetele is,
maar zijn séance op de grote wielerscène is van korte duur
wanneer kwikzilveren Alaphilippe op de laatste puist
naar een zegekopie van vorig jaar wil snellen.
De gele Jumbotrui van Wout warmt als een zonnepaneel 
zijn batterijen op tot hij in het wiel van de Franse springveer
zit en glorieus zijn rijk krachtenarsenaal ontlaadt.

In zijn nek de hete adem van een naderend peloton
dat in het explosieve duo gefrustreerd zijn stuur stukbijt en
dan maar collectief de moegestreden hoofden buigt.
En vrouwtje Sara die met slechts één week verschil
opnieuw in de sterke armen van haar gladiator valt.

Die avond kroont Kirk Douglas in de sterrenhemel 
Van Aert tot de nieuwe Spartacus op koerswielen. 

- V -
De Tour van 2020 en daarna

Een verre nare droom en opgeborgen nachtmerrie:
de horror-Tour van vorig jaar wordt uitgewist
met de heerlijke geur van twee zegeruikers:
Wout die zich de ene dag uitslooft als luxeknecht en
de andere met scherpe Visma-visie de spurt wint.
Vergeten het bloed dat het asfalt van Pau bevlekte
met de kleuren van AC Milan, warm rood 
dat open spatte op het nachtzwarte wegdek. 

(O, wat zou mijn  geliefde Tour-accordeoniste Yvette
deze coureur graag op het podium hebben gekust.
Met in haar rossig achterhoofd de wals 'Espoirs perdus'
die na een jaar lijden niet langer meer bij Wout paste.)

De weken daarna het défilé van de dichtste ereplaatsen
die aan het einde van het samengeperst wielerseizoen
drie maal een exquis verlengstuk aan zijn zeges breiden:
twee maal tweede  op de WKscène in Imolas en
daar bovenop nog nipt van Mathieu verliezen
in een kille en supporterarme Scheldestad.
Een spurt van reuzen met meteen daarna de omarming
op de fiets, ver weg de opgeklopte rivaliteit,
hier geen enkel spoor van rancune of verbittering
maar een warm menselijk sluitstuk op een koud virusjaar.


Groepsfoto

we grijpen de foto 
ze staan er allemaal op: de zondagochtendgroep
strakke kabels, verzonken in oversized carbon 
een terrasopstapje naar lengte en gewicht   

het zijn takken van dezelfde hardhoutstam 
klaar om de keien te teisteren

maar nu even niet 

je voorkomt verstrengeling, geen tak 
kan de ander raken of eeuwige bomen kruisen
je voorkomt het koken van sappen aanvalslust 

tot hier 

geen stekelhagen langs holle wegen 
of valwind uit een onverwachte hoek 
geen afzink of brede waaiers 


de herinnering van tijd herleeft
in de krul van een mondhoek, in een glimlach
op de foto van vergeeld hardhout 

we missen de grimas van de oude takken 
die vergeten weg te vallen 


 

De keuze onderweg

Waar millimeters beslissen over roem 
ligt vals spel op de loer in afslag bochten
vangrails doorgetrokken strepen

gladheid molesteert die gevallen renner
schaafwonden trekken sporen in zijn ziel
verband steekt wit af tegen bronzen benen

oortjes toeteren schreeuwen in de schelp
denken niet toegestaan voor deze slaven 
hun weg loopt langs ravijn rots distels 



een enkeling  trapt door mul zand door
levende reclamezuil in opdracht van zichzelf
slaat bevelen af ontketent zich van boeien

koning voor dit ogenblik afgod van het publiek
alleen die verplaatste finishlijn pulseert hartfalen
een doornenkroon met niets ontziende oordelen

van prutser querulant matennaaier 
maar ook weg van eer en sloten geld

zomaar de afzinkkelder in


Coronajaar

Ziedaar dé Flandrien -
voor de fans was zijn koersen
een mentaal vaccin





Noodkroon

Wilt u een verdoving
als ik u straks ga boren?
nee zei ik op m’n stoerst
ik ben een kind van de koers
wij zijn
met pijn
geboren


Autocorrectie

Pastaparty prikkelend
kapsel zoent, verklaart
tegen zin zijn liefde voor
het Franse asfalt. Wisselende
omstandigheden resulteren
in alternatieve vertolkingen.
adrenalinestoten in stomme
stoten. Geen groen met
glans. Asgreen ziet zo stilaan
asgrijs. Rotding blijkt
Suc au May. Hiersie, Hirschi !
Vallend wippertje knipt hitsig
licht aan, licht uit. Zwitserse
vrijbuiter zet in zijn eentje de
autocorrectie recht. 


De Reus van Ruddervoorde

Hij reed voor Faema en ook voor Flandria 
en zelfs voor de poeders van Dr. Mann. 

In 1958 was hij na een vlijmscherpe sprint 
de winnaar op de houten piste van Roobeke
dat nu bekend staat als het Franse Roubaix. 

Hij brak zijn knieschijf, zijn vinger en zijn pols 
maar hij had een lang lijf 
en behaalde achtentachtig zeges.  

Zijn naam en zijn bijnaam kan en wil ik niet vergeten
in mijn strijd 
tegen de tijd en de soms hard waaiende wind.  


Wint Wellens wel?

Of een Vueltarit zonder einde

Tim komt in Ourense als eerste over de meet
na een bocht op een onmogelijke plaats, 
ik dien stante pede een klacht in bij de UCI en
bij uitbreiding het Hoog Gerechtshof van de Pyreneeën
want ik zag Trump trompettend triomferen
-taaltrillende klanken zijn mijn unieke ding- en
in rode republikeinse trui het podium bestormen:
Donald Duck is great again, leve de misdadige gek
die aan alles en iedereen zijn waanzinnig 
wiegende testikels veegt, een farce van formaat.

Een dag na de verkiezingen orakelt de gedegenereerde nar
van Washington dat stemmen niet meer mogen worden geteld,
zij zorgen alleen maar voor verwarring en misverstanden
in de kokende koppen van heethoofden en
doen de States onverantwoord democratisch blijven:
ik kijk naar renners die in omgekeerde volgorde
in pure Magritte-stijl over de eindmeet flitsen:
ceci n' est pas une course cycliste.

Al staat Melania wel met de zegeruiker klaar:
een langbenige beauty van papier-maché en
door manlief  losbandig toegediend bleekwater,
achter de coulissen wacht haar een langdurige fellatio,
four more years zonder mondmasker of helm,
leve de plastic rozen van Guido Belcanto
die niet altijd naar Pantani moeten gaan . 


VAN MUUR NAAR ANGLIRU

Allerheiligen 2020
-voor José de C. en Renaat S.-

Kijkend naar een Vuelta-rit in volle coronaherfst en
met als venijnig stekelige kers op de koerstaart
de Iberische reuzepestpuist genaamd Angliru,
een col als ongenadige wespenangel die de kuiten
met al zijn Golgotha-attributen prikt en geselt.

Misericordia ?
Medelijden behoort niet tot de woordenschat
van het meertalig peloton, hier geen genade
voor renners die met verlamde kop en kuiten
tegen de moordende muur opklauteren
met al wat hen nog rest: het leeglopend reservoir
van de bijna kompleet opgebruikte krachten,
de weerbarstige wil om toch nog verder af te zien
in een strijd die ongelijk en dus niet te winnen is.

Ik zie Alva en de Spaanse koersconquistador 
genaamd Angliru, ik voel en zie het zwoegen en
de pijn en denk aan de voorbije zwoele zomerdag 
waarop ik met kleinste kleinzoon Vic -elf-
mijn grage Geraardsbergse gesel genaamd Muur opreed,
ik, oldtimer-flandrien met meer dan zeventig lentes
op de doldraaiende teller van mijn arm hart,
het jong getaand geweld dansend over de kasseien,
ik alleen maar uit op de gratie van de Madonna op de top,
mijn mini-Angliru en calvarie met daarna wel
de verdiende zalige tandem douche- fauteuil.  


Guido Reybrouck

winnaar van de legendarische 
Amstel Gold Race van 1969

In de glimmende straten van Assebroek zag ik hem
als jonge coureur rondrijden.  
Als vrolijke bakkersknecht reed hij ook 
op een driewielige bakfiets of een triporteur 
met pas gebakken wit en bruin brood.  

Vele jaren later zag ik hem op het zwart-wit scherm
aan de zijde van Eddy Merckx 
in grote klassieke koersen
en nu leeft en lacht hij in zijn hoeve in Moerkerke 
samen met zijn herinneringen tegen de zwarte dood. 


Anna van der Breggen

Anna van der Breggen rijdt in haar eentje 
als haar eigen groep der favorieten het
kampioenschap bijna aan flarden 
maar zo gracieus malend in cadans 

ze vliegt over flanken van bewondering
driedimensionaal weergaloos in stijl
een beeld uitgesneden uit oranje goud
eenling als een heel peloton gestreden

in een weergaloos universum fietst zij
kilometers sleurend met superbe stijl
die iedereen in vertwijfeling brengt
doordrenkt van een nieuw soort koers

in heldendom schiet het landschap voorbij
de gekromde rug in gespannen driehoek 
silhouet van kracht souplesse als vrouw 
van Vitruvius navel van de wielerwereld 

voor een onvergetelijk moment


Jules en Odiel

Waar men vroeger voor en na de oorlog
hard koerste en vloekte
op West-Vlaamse en Noord-Franse wegen
bij elke zaterdagse of zondagse kermiskoers
kwam men alom en allerwegen Jules en Odiel tegen.

En deze fiere Flandriens hadden de achternaam Vanhevel
of Van Hevel en toch waren zij geen broers en geen neven.


Mathieu pas Poupou

 of de ronde van Vlaanderen anno 2020

In Antwerpen schiet een burgemeester
zijn zoveelste gat in de lucht, een holle klucht
waaraan politiekers zich graag bezondigen,
zeker als er leeuwen in de lucht hangen.

Er zijn mondmaskers à volonté en
het virus zoekt slachtoffers
die er niet zijn 
want de broeihaarden genaamd VIP-tenten
blijven netjes ingepakt: deze keer geen winst
op de rug van de dwangarbeiders van de weg,
geen bier dat naar rijk lui zweet ruikt..

Een motard is er te veel aan voor notre cher Julian
die zich verkijkt op het logge gevaarte en
als een eendagsvlieg tegen het asfalt gaat:
o noodlot, o onbarmhartig neerhalen
van een favoriet met regenboogkleuren
om de opgepoetste Franse borst.

Wat krijgen we nu ?
Wout en Mathieu koersen gelijkgestemd 
naar de dode finish, de eindmeet zonder volk,
Oudenaarde als prematuur Allerzielen.
Loeren hier Coppi en Bartali, Van Looy en Merckx,
Monsieur Chrono Anquetil en de grootvader
genaamd Poupou om de hoek, rivalenduo's 
die hun gelijke niet kennen en blijven opspelen
in de zure magen van de wielersport ?

De twee halve Hollanders of zijn het halve Belgen
spelen het spel (h)eerlijk, slechts een paar centimeters 
maken een wereld van verschil.
Mooie strijd, mooie winnaar, mooie verliezer,
Vlaanderens Mooiste kan opnieuw op slot,
gezegend zij haar kuisheidsgordel van kamwielen,
geheiligd haar buste van Paterberg en gepasseerde Muur.


Fietsdichter

Schrijver van poëzie
met een kleine p - de p
van pedaleren


CoronaKemmel

of de herfst-Gent-Wevelgem van 11 oktober 2020

Nu al meer dan dertig jaar en dus hondstrouw 
naar Kemmel afgezakt voor een feestdag
met de geur van ketting- en massageolie.

Corona duwt supporters metaalkoud weg
achter de ongenadige dranghekkens van het virus,
geen applaus of spanning op de Kemmelberg
die anders als een gezwollen koerszwangere buik
in het uitgedoofde oorlogslandschap trilt en beeft,
de gekasseide bult ligt er nu doodstil bij zoals
na een zoveelste gruweldag van de Groote Oorlog.

Ik sta onder de grijze miezerige hemel
op het Kemmels dorpsplein, de kleurrijke anaconda
van het peloton slingerslalomt voorbij,
Van Aert slaat een onverstaanbare kreet uit,
ik zie vuur en zegedrift in zijn donkere ogen,
Cavendish neemt de bocht op toekomstige tranen,
good old Greipel heeft problemen met de fiets, 
of: Wout als gele slechtvalk op mijn trillend netvlies,
Mike met het nakend afscheid in de ogen,
Andre een bleke, zachtaardige Panther Panzer. 

Treurnis om een geamputeerde klassieke koers,
alsof een onzichtbare renner me in de spurt
sans rancune de pas afsnijdt en ongeremd glorieert.
Maar plots de gulle glimlach van Zanini,
de oude krijger die me vanuit de lichtblauwe hemel
van zijn  Astana-wagen herkent en uitbundig groet.
Arrivederci amico  Stefano !




The Cav

Alle sprinters zijn mij lief,
ik hou van hun kracht, hun
snelheid en hun lef

maar het mooist vind ik
de branie & de tranen
van the Cav


LBL 2020 Slovenië boven, Primoz Roglic

Een klein land maar groot in zijn wielerdaden: Slovenië,
hier stond de wieg van Roglic, Pogacar en Mohoric,
hier groeit koerstalent zoals granaatappels aan de bomen,
explosief van naam en zegezoet van smaak.

De kleine Franse springveer met om de torso de regenboog 
zou in de finale zegezeker zijn beslissend bommetje gooien
maar niet dus, niks van, nada, niente, rien de knots zoals dat
wel eens in mooi en dus veredeld Vlaams wordt gezegd:
Julian zwiepend van links naar rechts, continu omkijkend,
hyperkinetisch jongetje dat de Ardennen onveilig maakte
met zijn gediskwalificeerd Von Rundstedt-offensief.

Voor het overige geen slecht woord over de Lefevre-poulain
al is er voor Patrick nog heel wat werk aan de winkel
om dat wielerwoelwater rechtdoor te laten rijden.
Zijn stuur en kopje vastvijzen is een bescheiden suggestie
al heeft derde hond Roglic uit de chaos à la Philippe
nu een La Doyenne-zege gepuurd, een kleine pleister
op het houten been van zijn finaal gemist Tourgeel.


La Doyenne

 of een klassieker als Von Rundstedt-offensief

(eerder gepubliceerd in De Muur)

- I -
Liège

Liège-Luik, aartsbisschoppelijk in zijn paleizen,
 de donkere Meuse die zich verderop tot Maas ontpopt:
stad en stroom met uitgeweken Italiaanse koorts
want zie haar gloeiende bijnaam - la ville ardente -,
deze vurige stede waar ooit maffiose revolverschoten
het lichaam van een topsocialist genadeloos doorboorden.
Of André Cools als Waalse Pim Fortuyn avant la lettre.
Maar ook startschotstad voor de oudste der klassiekers,
met straten die wankelen onder hun grijze schors
van versleten gevels en gulzige uitlaatgassen.
Stad ook met een voetbalploeg die zoals een Vesuvius
hete lava over zijn balgekke bewoners laat stromen:
Luik als het levend Pompeï van het noorden.
Et o la la ses boulettes à la Liégeoise chez Lequet,
met zijn luidruchtige patron die fier is op zijn keuken en
haar wulpse vleesballen  als stevige culinaire kloten.
En hier, ja uitgerekend hier start la Doyenne,
staan renners gehuld in een coloriet van Karel Appel
in de klamme ochtendkou te wachten op een koersmenu
met als plat de résistance hellingen die kuiten en
dijen treiteren, met legendarische bulten die luisteren
naar namen als La Redoute, Haute Levée en Rosier,
Stockeu en de Baraque de Fraiture waar evenwel
geen armtierig frietkraam te bespeuren valt .
Maar wel een armada opgehitste en joelende tifosi.

- II -
Dorpen en bossen

Renners die als reclamekabouters door bossen glijden 
in een geur en glans van massageolie en kettingsmeer,
strijdend met het eeuwig diepe groen van sparren en
duisternis die bossen mysterieus en onbetrouwbaar maakt.
Geen enkele klassieker treft zoveel bomen op zijn weg,
zoveel buizerds in de lucht, het peloton doorklieft de stilte
die traag is opgebouwd in desolate dorpen van arduin
waar 's winters mensen lui achter kachels zitten of buiten
bezig zijn met hout dat daarna in diezelfde kachels
in vuur en vlam wordt omgezet. Voor warme harten.
Een oude man gaat wat dieper in zijn deurgat staan en
trekt vergeefs aan een uitgedoofd stompje sigaret,
een vrouw met een tas van skai spoedt zich naar huis
om haar ijskast genoegzaam met wat Spar-spul op te vullen,
zij loopt dicht tegen de gevels aan wanneer motoren en
gierende volgauto's haar adem doen stokken in de keel,
zoveel lawaai en stof en stank zijn niet aan haar besteed,
zij prijst zich gelukkig want ze weet dat 
deze storm kort en snel voorbij zal zijn.

- III -
Bastogne

Bij nacht en ontij kreunt deze oorlogsstad nog na
van de ratelende rupsbanden en opgefokte pantsers 
die het ultieme nazi- Ardennenoffensief hier 
als een blijvende nachtmerrie heeft achtergelaten,
als een stuiptrekking van de waanzin die oorlog heet,
een testament met soldatenbloed geschreven.
Hier ligt het keerpunt in de hoofden der coureurs,
granaatscherven en mitrailleurkogels ketsen af
op de plastieken rennershelmen, Luik is nog ver weg maar
wuift al wuft met zijn bloedrode laatste kilometerdriehoek,
het kneuterig wapperend minivaandel der verlossing.
Hoe Teutoons en Wagneriaans de namen van de generaals
Von Rundstedt en Von Manteuffel ook mogen klinken:
in deze oorlogsklassieker gingen zij roemloos ten onder
aan de krachten van de 101ste Airborne Division
die als triomfator over de bebloede eindmeet ging.
Nieuwe Germanen als Kittel en Greipel sneuvelen hier
zelfs zonder te vechten en knarsen hun tanden stuk,
ze blijven gewoonweg thuis van dit front en dromen
in pluchen zetels hun dikke sprinterskuiten aan flarden,
de Ardennenklassieker duldt geen rambos op zijn bulten
maar kickt op het fijnbesnaarde werk van flyers en
pédaleurs de charme in een koerslandschap dat zich 
van mortiervuur en bloederige geschiedenis herstelt.

- IV -
Exploten

De wondere taal van Molière en mijn pseudo-Waalse hersenen
duwen Maître Jacques Anquetil onstuitbaar naar plaats 1:
we schrijven 2 mei 1966, een bloedhete lentedag,
womanizer en Don Juan Jacques laat zijn zweetzout gul
op de Ardennenbodem vallen, duwt iedereen uit zijn wiel en lapt
daarna als winnaar de dopingcontrole aan zijn koersschoen,
geen urinepolonaise aan het  lijf van Monsieur Chrono.
Juist onder hem plaats ik de Bretoense das Hinault die
met een ijskoude grijns om het besneeuwd gezicht
op weg naar vurig Luik zijn tegenstanders diep vriest,
ver weg van het heet asfalt op de wegen van de Tour.
En ik zie ook Bartoli en Vandenbroucke, sierlijke engelen
in de heidense onweerslucht op de La Redoute-flanken.
Of les frères De Vlaeminck die Kannibaal Merckx 
sandwichen en meteen daarna rauw lusten tussen
de vlijmscherpe spaken van hun rode Flandria's.
En wie herinnert zich niet flandrien Dirk de Wolf
die -omdat hij de winnaarsroem niet alleen kon torsen-
in Luik wild gesticulerend op zijn vrouw roept 
maar haar niet lang daarna voor een jonge vlam verlaat,
een tuil rozen die met onzichtbare doornen is getooid.
Besluiten in stijl doe ik met de sierlijke Steven Rooks,
uit het vlakke tulpenland overgewaaid naar het dichte zuiden
waar hij richting Luik uitgroeit tot de absolute regelmaat
op het rijk gevulde palmares van La Doyenne,
een Hollandse rouleur pur sang wiens naam in mijn hoofd 
voor altijd in sierlijk schoonschrift zal geschreven staan.
Roem die nooit in rook zal opgaan.