Posts tonen met het label Paul Rigolle. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paul Rigolle. Alle posts tonen

Croix de fer

En zo gebeurt het dat je op een dag
een man geworden bent die op een fiets
een berg bedwingt. De Col de la Croix-de-Fer 
is de naam. Water stroomt de helling af,
sneeuw glimt in de verte in de zon.

Het landschap beneemt de adem, slijpt zich
in de ogen vast, benevelt je als de gedachte
in een droom. Herauten als Ignolin en Camellini
zijn ons voorgegaan. Coppi en Bartali, ook zij
reden ooit de Barrage de Maison voorbij.

Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!
De weg die klimt sloopt wat je voor het laatst
had opgespaard. Het leven hier heeft aan zichzelf
genoeg. Een intens geluk is het om voor eeuwig
en een dag in dit decor een figurant te mogen zijn.


Paul Rigolle



Puyvelde

voor Frank Pollet

Vanuit Wijnveld en Waterstraat duik je
de archieven in, de kom van het dorp.
Feesttent en toebehoren, zon van de partij.

De dorpsoudsten groeten ons, het leven
ligt als een kermiskoers achter hen.
De bocht aan het Distelveld zorgt
voor hoogtemeters, de speaker voor
opgeklopte spanning in woorden.

Houdt de kopgroep stand of komt er straks
nog iemand om over alles heen te walsen.
Nu al - geen aswolk kan ons deren - vallen

als vanouds de duiven uit het kaalgeschoren
blauw dat van de dichter is.

En van de hemel.


Paul Rigolle


Paul Rigolle (l) en Frank Pollet (m) in Puyvelde


Klimmen

We klimmen.Het laagland dateert
van langgeleden. De lichtstad een verre schim
uit een onaangeroerd verleden.
Veel meer hoogte kunnen wij niet krijgen
dan waar we nu al zijn. Fietsen dient
allang niet meer om ons te verplaatsen

maar om traag en lijdzaam hogerop te kruipen.
Als uit het niets komt kramp tot achter
Onze oren zitten. Alle klieren krijgen koorts.
Het gezicht verkrampt, de grimas, de pijn,
het lijden. Doortrapt en uitgewoond.

Als stervende zwanen, zo mooi gaan wij kapot.
Gemaakt en voorbestemd om niets dan
stukgetrapte schoonheid uit te dragen.


Paul Rigolle

La Planche des belles filles

De aankomst ligt op een plaats waarvan
geen man de naam vergeet. Vliegen of fladderen
we er met zijn allen afgezonderd heen?
En uit elkaar?

Elke engel wordt op deze flanken
opnieuw een mens die uit de hemel valt
Les pleurants huilen hier in koor. Have, goed
en stem, alles, alles raak je bij het klimmen kwijt.

Wittgenstein was een coureur: waarover je
niet kunt spreken, moet je zwijgen


Nummer 143

I.M. Bjorg Lambrecht

Hier staan we dan, Bjorg. Zoekend naar woorden
van troost. Naar een gedicht misschien dat poogt
en tracht en hijgt en zoekt naar een verklaring,
een uitleg voor het waarom van een dood die
geen enkele goeie reden heeft om waar te zijn.

Een ordinaire weg in een land dat Polen heet
op een striemende blauwe maandag in augustus.
Het bericht dat ons met verstomming slaat.
Waarom het lot zijn oog liet vallen op jou
die enkel puurheid was op een fiets, niemand
die het weet. Niet te geloven, niet te harden is het.

Voor altijd zal 143 jouw nummer zijn. Net als Jempie
forever 22. We tekenen, schrijven onze naam in
een register dat vol rouwende mensen staat.

We klappen met jou tegen een koud obstakel aan,
vallen met jou stil. Het ga je goed Bjorg, wie je was
en wat je beloofde blijft ons voor altijd bij.


Paul Rigolle

Soigneur

(voor Dirk Nachtergaele)

Al zowat zijn hele halve leven staat hij
bij de aankomst renners op te wachten,
trekt ze over de streep en droge truien aan.
Later gaan ze vermoeid en uitgewoond
languit voor hem neer en uit de kleren.

Hij kneedt en knijpt, pakt hun lichaam
als een kunstwerk uit. Aderwerk, gebeiteld
op de benen. Masseren, zegt hij, is kijken
met je handen. Van spieren lees je af
wat geen stem kan zeggen. Hij knipoogt

en maakt zich sterk dat hij straks
een ander wordt. Soigneur wordt seigneur,
meegestuurd in de ontsnapping van de dag,

in de vroege vlucht vooruit van het gedicht
dat hem na al die tijd als in een tweet
van niks weet op te schrijven.


Paul Rigolle

Koers

(Liedje om te zingen op de dag dat de Ronde
van Vlaanderen verreden wordt)


Overmoed trekt al vroeg op pad vandaag.
Lef gaat mee. Gevolgd door Naamsverlangen,
Heraut en Beeldbezoedelaar. Windstilte wacht

nog even af. Overtuiging ligt al vast. Stafrijm,
Metrum, Prosodie, het klikt meteen. Komaan
Dadendrang rij maar in een molentje met ons mee.

Bravoure haalt Werkkracht in. Drama en Hectiek
springen van wiel naar wiel. Kortsluiting
komt op het hoofd terecht. Vallen is niet fijn.

Geen Truken van de foor, maak niemand Blaasjes wijs.
We kijken op noch om, zetten koers richting Einder
in een vreemde zucht naar Helderheid.

Bloedvorm, Panache en Grinta snellen weg,
vliegen samen over de meet. Wie er wint,
wordt straks wel op een foto uitgeklaard.


Paul Rigolle

Modder en grind

(Gedicht voor Eli Iserbyt)

Tussen Veld en Aula zoekt hij elke dag opnieuw 
de grenzen op. Limieten liggen nooit lang vast.
Wasbord of balken, cross of koers, kruis of munt. 
Geen hindernis houdt hem tegen. Wielen zuigen  

en zingen in modder en grind. De geest is fel, 
de blik richt zich op de einder. IJzer heeft zich 
in zijn naam geschreven. Als weegschaal staat hij 
in de sterren. De beeldspraak gaat wat zwellen:  

Buskruit en poeder heeft hij in de benen en 
voor je het weet omschrijf je hem 
als natuurtalent en pocket-krijger. Man van
Bavikhove en van de hele wereld de kampioen.


Paul Rigolle

Gedicht voor Koolskamp Koers

Van krantenkop naar hyperlink, van houten velg
naar carbon-gerinkel. Eerst nog rond de ton
en later rond de kerk. De straten zijn onze archieven.

Koolskamp: een dorp nog steeds, een voetnoot groot,
als voor de tijd verloren. We liepen hier school
en raakten in de ban van de koers en van de metaforen.

De Gilde werd de Sloeber. Focus een jeugdhuis
waarin we onze mooiste uren sleten.
Voor de kerk loopt het een beetje op

en bij de steenbakkerij stuift het bij het leven.
Bij de bookmakersborden en de hotdogkramen:
Er wordt gewonnen, er wordt verloren.

Het lied van de Leeuw. Een erelijst
om mee te pronken. Van alle kermiskoersen
is dit dé allerlaatste klassieker.

Honderd jaar heet een eeuw te zijn.
Vrienden en vaders verdwijnen met de jaren
maar wie jong is neemt het van hen over.

Al is de wereld wijd en weids geworden,
nog gaan wij op in wat komt toegestroomd,
tollend en vierend zoals in september

de letters in het woord kermis.


Paul Rigolle

Loorberg

                                   It’s not the mountain we conquer
                                   But ourselves. (Edmund Hillary)

Buigend zoeken we het in ons op. Het gehijg,
het zeuren, het gelamenteer van een lichaam
dat meer wil dan het verdragen kan.
Loorberg, here I come. O mijn glooiende tijd!
O mijn leven als vazal die naar boven klimt
omdat er nu eenmaal Vals Plat en heuvels zijn.

Voor wie van steilte droomt is dit een begin.
Daar het Kersenpad! Daar de haarspeldbocht!
Teloor of niet teloor, melkzuur richting hemel,
dra komen we boven en worden weer een mens
die in de taal van het landschap zingt. Dra wacht
ons uit de oude wereld weer de mooiste wijn.


Paul Rigolle

Triomf

Net de rooie vod voorbij. Te vroeg. Nog veel
te vroeg om aan te gaan. Wacht en kijk. Wijk uit,
wijk af. Van links naar rechts, een golf. Je wendt
de ogen af. Kaliefen, Leeuwenkoningen,
Jerommekes overal. De sprinters zijn de keepers
van de koers. Gek zijn helpt. Niks dan handen aan
de rem. Kraftwerk in het oor. Gekwak.

Seconden duren lang. Glijden, snaaien, snerpen
in de laatste bocht. Carbon breekt niet onder
jouw gewicht. Zwiep vooruit. Zorg dat het
onweerstaanbaar is. Zorg dat het alles is.
Maak vaart, ruim baan. Laat het pak maar
voor wat het is. Kom er uit.

Triomf? Triomf!


Paul Rigolle

Portret van de dichter als coureur

Oefenend met kunstlicht op de rollen kijkt hij
de kamer in. Waar een ander op grote hoogte traint
is waar hij de schemer schrapt en schrijft
en aan veel syndromen lijdt. Het Van Looy-syndroom.
Dat van Stendhal en dat van Merckx. Het hart
van Bitossi. De Ha van Haghedooren.

Terwijl zijn evenbeeld over een stuur gebogen zit
weet hij steeds weer zichzelf op stang te jagen.
Parafraseert waar een ander demarreert.
Gaat zitten waar een ander op de pedalen loopt.

Niet ver meer van de streep vecht hij zich vooruit
in de galerijen van de eeuwigheid. Verbetenheid
doet hem grijnzen. Alsof hem in zijn jeugd iets
is aangedaan dat hij alsnog iemand betaald
moet zetten, laaft hij zich aan eigenwaan.

Hij ziet zichzelf met strakke vingers
naar de hemel wijzen. Geeft ons op een blaadje:
op een goeie dag en één voor één schrijf ik
jullie allemaal voorgoed naar huis.


Spaak

De renner is zijn pijn
(I.M. Paul Haghedooren)

Niets loopt spaak als hij rijdt en op dun metaal
zijn wereld bouwt. Hij waagt en woedt,
schiet als een bebrilde duivel kurkdroog
van zijn belagers weg. Opstand snijdt hij
met het grootste mes. Achter hem vloekt het,

draait het vierkant als de wereld. Men schuift
het decorum in, men brandt en sterft voortdurend
in het wiel. Wat in hem herkenbaar wordt:
Elke ren is een soloren en voorbij de pijn
haalt hij ultiem de weelde in en lijdt alleen.

Zo total-lossgelaten jongleert de renner met zijn pijn.
Als een dichter over de kinderkoppen van het blad.
Steeds is er wel iemand die, in zijn spoor geklit,
in het zicht van de aankomst daaruit te voorschijn komt.
Zodat hij zich opricht reeds, zich opmaakt om

zijn overwinnaar alleen en verloren achter
te laten met meisjes en schaamte in ruikervorm.


Paul Rigolle

De Hel van het Noorden

Van tuin en tijd genoeg voltrekt het wonder zich.
Het landschap scheurt. Een dag knapt uit de kom.
Het land wordt opgepoetst, herschikt, herstreken:
Vlaggen, stemmen. Free-Jazz, heksenkring en -ketel
smakt elk juk in het volle huis der velden neer.

Niet van de lucht: een vreemde zon die vloeibaar
in de v-vorm van de vogels openvlucht.
Zodat ineens de hel losbreekt, geplaveid als alleen
in verloren gelegde albums een laatste hel kan zijn.
Gezichten wolken op, een karavaan ontstaat uit stof.

Heroïsch! Driemaal heroïsch - engel van modder
en vlees - stottert reeds de eerste renner door de vlakte.
Hakt zich hakkelend een baan doorheen hagen,
gaat door schroot. Metaalbewerker tegen de elementen in,
lijdend aan zichzelf en niets dan zichzelf.

In echo's. Honderdvoudig gaat met hem de vloek gepaard.
Graag ziet men zichzelf in hem weerspiegeld staan:
Hoe hij de zelfkant zoekt van elke weg, zich doorheen
de werkelijkheid werkt als door een hel en de kroon
van de verbeelding onder de werken van de hemel zet.

Leven wordt een hechter avontuur. Met een vuist
die elk ogenblik als een beslijkte hamer
warme wakken in een droom van lucht kan slaan.


Paul Rigolle

Briek

De drinkbus van de flandrien rust
in zijn houder als in een vuist. Hij zegt
niet veel. Zijn woorden weten beter.
De bluts en de buil is wat hij hebben wil
en heel veel drek en slijk en regen.

Geef hem ballast mee om weg te keilen
op het einde. Geef hem zieletogen.
Kanarieberg of Paddenstraat. Foreest
of Oude Kwaremont. Er zit een Briek in elk
van ons. Elke helling wil hij op. Hij kent

geen mededogen. Hij kreunt en steunt,
houdt niet van acteren. Hij speelt
alleen Zichzelf en telkens weer,
telkens weer is het er over.


Paul Rigolle

Vleugels

En of we van de wereld zijn en van de kleuren.
Pas gestart droogt de zon alweer de ochtend op.
We trappen in de boter. Maar wat ons wacht
heeft ons nu al zwaar te pakken. We kijken schuw

naar boven, vangen alsnog wind en dichten gaten,
rijden weg om niet te worden weggereden.
Lange kilometers wassen onze breinen. Denken is
niet goed. Niet te denken is wat we moeten leren.

Tot de klim begint en we niet meer weten van waar
en van welk dorp we komen. Joel en duw ons voort,
kijk naar ons zolang het nog kan want fietsen
is behagen en louter liefde kan ons vleugels geven.


Paul Rigolle